Wettelijke rente en wettelijke verhoging zijn boedelvorderingen en de informatieplicht van de curator (annotatie)

Article
NL Law

De annotatie van Astrid Helstone en Emilie Hoebens bij het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 behandelt de vraag of een curator de werknemers van een failliete onderneming moet informeren over hun aanspraken op de boedel uit hoofde van wettelijke rente en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW, en of die plicht haar grondslag vindt in het arbeidsrecht (artikel 7:611 BW) of in het insolventierecht (artikel 68 Fw). 

De Hoge Raad stelt in het arrest eerst vast dat over niet-tijdig betaald loon zowel wettelijke rente als de wettelijke verhoging verschuldigd zijn, en dat beide vorderingen de rang van boedelschuld toekomt. Astrid en Emilie schetsen het spanningsveld tussen de positie van de curator als feitelijk werkgever en de doelstellingen van het faillissement. Zij merken op dat A-G De Bock de informatieplicht van de curator fundeert op de norm van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Deze benadering van de A-G vindt steun in de literatuur en is goed te begrijpen vanuit het oogpunt van ongelijkheidscompensatie en bescherming van de zwakkere partij, beginselen waarop het arbeidsrecht bij uitstek is gestoeld.

Astrid en Emilie brengen daartegen evenwel in dat het insolventierecht is gebaseerd op fundamenteel andere beginselen: de faillissementsprocedure heeft ten doel een zo hoog mogelijke opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers te genereren en het handelen van de curator wordt daarmee bepaald door het belang van de gezamenlijke schuldeisers (wat ten koste kan gaan van de belangen van de individuele schuldeisers). Die ratio vertaalt zich ook in de informatieplichten die op een curator rusten tegenover individuele crediteuren. Die zijn in beginsel beperkt, waarbij het Maclou-arrest en de INSOLAD Praktijkregels voor curatoren als ankerpunten gelden. De Hoge Raad knoopt voor de informatieplicht van de curator niet aan bij artikel 7:611 BW, maar bij de algemene taak van de curator op grond van artikel 68 Fw: een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator die bekend is met een boedelschuld waarmee de schuldeiser zelf niet bekend is, die schuldeiser daarvan op de hoogte stelt. In dit soort gevallen volstaat een kennisgeving. Hoewel niet voorlag of een curator gebonden is aan de norm van artikel 7:611 BW, lijkt uit het oordeel van de Hoge Raad te volgen dat arbeidsrechtelijke normen in beginsel terughoudend moeten worden toegepast in het insolventierecht. Voor de curator geldt een ander normenkader, namelijk dat van de behoorlijke taakuitoefening op grond van de Faillissementswet. Volgens Astrid en Emilie is dit een zuivere benadering die aansluit bij de ratio van het insolventierecht. 

 

Lees hier de volledige annotatie

Auteurs: Astrid Helstone en Emilie Hoebens

Bron: JAR 2026/89

Publicatie datum: april 2026