Signaleringsblog week 22-23: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht
In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.
I- Jurisprudentie
Rechtstreekse werking AVG doorkruist documentenstelsel Archiefwet 1995
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 20 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2690) allereerst dat het enkel en alleen aan de zogenoemde ‘zorgdrager’ is om desgewenst openbaarheidsbeperkingen aan te brengen op archiefbescheiden, zodat in dit geval het college van burgemeester en wethouders (“college”) - en niet de streekarchivaris (in diens hoedanigheid van beheerder van de archiefbewaarplaats) of de gemeentelijke enquêtecommissie (het orgaan waar de om openbaarmaking verzochte informatie aanvankelijk, voorafgaand aan de archivering, berustte) - bevoegd was om dit te doen bij de overbrenging van de raadsenquêtedocumenten naar het streekarchief. De streekarchivaris zal, zo volgt in de tweede plaats uit deze uitspraak, bij het geven van inzage in gearchiveerde documentatie (art. 17, eerste lid, Archiefwet 1995) met voorrang toepassing moeten geven aan art. 89, eerste lid, Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”) en waar nodig daarin voorkomende persoonsgegevens en/of gegevens die naar personen herleidbaar zijn moeten pseudonimiseren (‘weglakken’).
Aanleiding voor beide rechtsoordelen was een geschil over het besluit van de streekarchivaris om het verzoek om inzage in gearchiveerde documenten van de gemeentelijke raadsenquêtecommissie over het gemeentelijke personeelsbeleid niet te honoreren. De reden daarvoor zou zijn gelegen in de openbaarheidsbeperkingen die de enquêtecommissie bij de overbrenging naar het streekarchief op deze documenten had aangebracht.
De Afdeling overweegt dat de werking van de Wet open overheid (“Woo”) en de Archiefwet 1995 elkaar uitsluiten bij verzoeken om openbaarmaking respectievelijk raadpleging van documenten: de Woo is van toepassing op documenten zolang deze niet naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht; na de overbrenging naar een archiefbewaarplaats is de Archiefwet 1995 van toepassing. Naar het oordeel van de Afdeling is alleen het college in zijn hoedanigheid van ‘zorgdrager’ (in de zin van art. 15, eerste lid, Archiefwet 1995) bevoegd is om bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden te stellen. Een redelijke uitleg van de Gemeentewet en de Archiefwet 1995 brengt volgens de Afdeling met zich dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de geheimhouding die op grond van de Gemeentewet op documenten wordt gelegd op het moment dat deze documenten bij het bestuursorgaan berusten (de enquêtecommissie was daartoe op grond van art. 155a, vierde lid, jo. 87 Gemeentewet bevoegd), en anderzijds, nadat deze documenten naar een archiefbewaarplaats zijn overgebracht, gestelde beperkingen aan de openbaarheid van documenten uit hoofde van de Archiefwet 1995. De zorgdrager is volgens de Afdeling op grond van art.15 Archiefwet 1995 bevoegd om bij de overbrenging voor een bepaalde duur beperkingen aan de openbaarheid te stellen. De openbaarheid van de archiefbescheiden wordt overeenkomstig de Archiefwet 1995 daarmee niet beperkt door eerder - in de periode voorafgaand aan de archivering - opgelegde geheimhouding onder de Gemeentewet: omdat de documenten na overbrenging naar een archiefbewaarplaats niet meer onder het desbetreffende bestuursorgaan berusten, komt deze na overbrenging te vervallen.
Onder de Archiefwet 1995 geldt vervolgens dat de gearchiveerde documenten in beginsel openbaar zijn (art. 14), tenzij de zorgdrager bij de overbrenging openbaarheidsbeperkingen heeft aangebracht (ingevolge het bepaalde in de artt. 15, 16 en 17). Als de streekarchivaris een besluit neemt op een verzoek om inzage in archiefbescheiden, moet hij ingevolge art. 17, eerste lid, Archiefwet 1995 de aan de openbaarheid gestelde beperkingen in acht nemen. Deze bepaling biedt de streekarchivaris geen ruimte voor het maken van een belangenafweging. Het college heeft die ruimte als zorgdrager wel, gehoord de gemeenteraad (als opvolger van de enquêtecommissie) op wiens last de archiefbescheiden zijn overgebracht. Het is vervolgens aan het college om de aan de openbaarheid gestelde beperkingen op te heffen dan wel ten aanzien van de verzoeker buiten toepassing te laten (art. 15, derde lid, van de Archiefwet 1995). In zoverre moet een verzoek om inzage waarbij om toepassing van deze bevoegdheid wordt gevraagd, worden opgevat als een daartoe strekkend en aan het college gericht verzoek (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4453).
Gelden geen openbaarheidsbeperkingen of besluit het college om deze (geheel of gedeeltelijk) op te heffen of ten aanzien van de verzoeker buiten toepassing te laten, dan is de streekarchivaris verplicht om bij het geven van inzage (ingevolge art. 17, eerste lid, Archiefwet 1995) voorrang te geven aan de toepassing aan artikel 89, eerste lid, AVG en de persoonsgegevens en/of gegevens die naar personen herleidbaar zijn moeten pseudonimiseren. Vanwege de onvermijdelijke doorkruising van de AVG met het documentenstelsel van de Archiefwet 1995 - de Archiefwet 1995 kent geen grondslag voor pseudonimiseren: een document zonder openbaarheidsbeperking moet in zijn geheel worden vrijgegeven, waarbij de streekarchivaris geen ruimte heeft om gegevens weg te lakken - geeft de Afdeling de wetgever in overweging om dit onderdeel van de Archiefwet 1955 in lijn met de AVG te brengen.
Beoordeling belanghebbendheid: stichting niet-ontvankelijk wegens ontbreken voldoende relevante feitelijke werkzaamheden
In haar uitspraak van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3051) oordeelt de Afdeling dat het beroep van de stichting die opkomt tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan dat voorziet in realisatie van een recreatieterrein niet-ontvankelijk is, omdat de stichting wegens het ontbreken van relevante feitelijke werkzaamheden niet als belanghebbende bij dit besluit kan worden aangemerkt. De Afdeling overweegt dat niet-ontvankelijkheid niet aanstonds op grond van een letterlijke lezing van art. 6:13 Awb kan worden aangenomen, omdat de stichting geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. Tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:7, Stichting Varkens in Nood) heeft de Afdeling overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de voorbereidingsprocedure neergelegd in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht is toegepast, art. 6:13 Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden (vgl. de Afdelingsuitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953). Voor het antwoord op de vraag of het beroep van de stichting ontvankelijk is, is dus beslissend of zij belanghebbende is. Naast de algemene statutaire doelstelling van de stichting is daarvoor relevant of de stichting met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van art. 1:2, derde lid, Awb. Volgens vaste Afdelingsrechtspraak gaat het daarbij om feitelijke werkzaamheden die de belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn als de continuïteit van de activiteiten ter beoordeling voorligt (vgl. de uitspraken van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431 en 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116). Verder geldt dat het alleen voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van art. 1:2, derde lid, Awb. Ook werkzaamheden die verband houden met het voeren van juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:373, en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:808). Omdat de stichting in de relevante periode geen feitelijke werkzaamheden met het oog op de behartiging van haar doelstelling heeft verricht, is de Afdeling niet gebleken dat de stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belangen in het bijzonder behartigt (in de zin van art. 1:2, eerste en derde lid, Awb). De Afdeling concludeert dat de stichting geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het ingestelde beroep daarom niet-ontvankelijk is.
Als privaatrechtelijke belemmering ter uitvoering van bouwplan niet evident is, geldt verzoek om omgevingsvergunning als ‘aanvraag’ waarop bestuursorgaan inhoudelijk moet beslissen
Uit de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11003) volgt dat een verzoek om een omgevingsvergunning te verlenen niet buiten behandeling mag worden gelaten omdat geen sprake zou zijn van een ‘aanvraag’ (in de zin van art. 1:3, derde lid, Awb), als een geconstateerde privaatrechtelijke belemmering ter uitvoering van het beoogde bouwplan geen evident karakter heeft. Aanleiding voor dit oordeel was het besluit van het college om de aangevraagde omgevingsvergunning ter legalisatie van op een uitbouw van de woning van eiser gerealiseerd dakterras met hekwerk niet in behandeling te nemen, omdat de daarvoor vereiste privaatrechtelijke toestemming van de buren daarvoor zou ontbreken. Appellant stelt dat hij geen toestemming van de eigenaren van de naastgelegen woning nodig heeft, omdat een privacyscherm op de zij-erfgrens ervoor zorgt dat er vanaf het dakterras geen zicht is op het naastgelegen erf. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid de hoofdregel geldt dat degene die een verzoek om vergunning indient, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. Diens verzoek om een omgevingsvergunning kwalificeert dan niet als een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, Awb (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232). Omdat appellant in dit geval heeft gewezen op de schriftelijke toestemming voor de aanleg en het gebruik van het dakterras van diverse omwonenden, waaronder de eigenaren van de afgesplitste, aangrenzende woning die tevens rechthebbenden zijn van dezelfde uitbouw, doet zich deze situatie naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Voor zover het college meent dat het dakterras te dicht op de erfgrens is gerealiseerd en dat hiervoor daarom de instemming van (ook andere) omwonenden is vereist, leidt dit niet tot een ander oordeel. Voor zover het college hierin een evidente privaatrechtelijke belemmering ziet die aan vergunningverlening in de weg staat, gaat de rechtbank hierin niet mee. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering is vereist dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van het dakterras de toestemming van een ander is vereist en die ander deze toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven (vgl. de Afdelingsuitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186). Gelet op de door eiser overgelegde stukken waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd dat de betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de aanwezigheid van het dakterras, is naar het oordeel van de rechtbank twijfelachtig of de gestelde privaatrechtelijke belemmering een evident karakter heeft. De vraag of sprake is van privaatrechtelijke belangen van derden die eraan in de weg kunnen staan dat een omgevingsvergunning voor het dakterras wordt verleend, dient het college volgens de rechtbank daarom te beantwoorden bij de inhoudelijke beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning. Daartoe zal het college deze aanvraag dus eerst in behandeling moeten nemen, aldus de rechtbank. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning ten onrechte niet in behandeling heeft genomen.
Beoordelingskader bouwtechnische bouwactiviteit biedt geen ruimte om rekening te houden met eventuele constructieve gevolgen voor belendend pand
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt in zijn uitspraak van 1 mei 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:6234) dat het college bij het verlenen van de (technische) bouwactiviteit (als bedoeld in art. 5.1, tweede lid, onder a, Omgevingswet (“Ow”)) voor het herstellen van de fundering van een pand niet gehouden was om rekening te houden met de eventuele gevolgen voor het aangrenzende pand. Het vergunde funderingsherstel omvat het maken van een constructievloer met betonnen plint op schroefinjectie palen, met behoud van stahoogte, en duurt ongeveer drie maanden. Verzoekster stelt als bewoonster van de naastgelegen woning dat haar pand en het te verbouwen pand constructief met elkaar samenhangen voor wat betreft de scheidingsconstructie en gedeelde fundering. Volgens verzoekster had het college niet alleen onderzoek moeten doen naar de eventuele gevolgen van het aangevraagde eenzijdig funderingsherstel en in het bestreden besluit inzicht moeten geven in de noodzaak, urgentie en mogelijke alternatieven, waaronder een gezamenlijke aanpak. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan vergunningplichtig is op grond van art. 5.1, tweede lid, onder a, Ow in samenhang gelezen met de artt. 2.25 en 2.26 Besluit bouwwerken leefomgeving (“Bbl”). Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning ingevolge art. 8.3b, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl”) alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 Bbl. Binnen dit toetsingskader is volgens de voorzieningenrechter geen ruimte om te toetsen aan het Burgerlijk Wetboek en dus of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering. Ook biedt dit toetsingskader geen ruimte voor een belangenafweging. Ook de constructieve eisen die volgen uit art. 5.9, eerste lid, Bbl zien enkel op het te verbouwen bouwwerk en niet op het pand van verzoekster. Omdat het college in beginsel dient te beslissen op basis van de aanvraag en de bijbehorende stukken en vergunninghoudster ervoor heeft gekozen om het funderingsherstel zonder verzoekster uit te voeren, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Het college is tot slot, gelet op het toetsingskader van art. 8.3b, tweede lid, Bkl, niet gehouden om te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt of tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen zullen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan de omliggende panden te voorkomen (Hoofdstuk 7 Bbl ‘Bouw- en sloopwerkzaamheden’, zie Stb. 2020, 400, p. 1090 en Stb. 2023, 298, p. 118). De voorzieningenrechter wijst er wel op dat Hoofdstuk 7 Bbl een zorgplicht bevat voor iedereen die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten om gevaar voor de gezondheid en veiligheid in de directe omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren. De naleving daarvan moet volgens de voorzieningenrechter evenwel worden afgedwongen via handhaving, hetgeen buiten de reikwijdte van het voorliggende geschil over de verleende omgevingsvergunning valt.
II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving
Kamerbrief Actuele ontwikkelingen Diepe Ondergrond
In de Kamerbrief van 28 mei 2026 informeert de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) de Tweede Kamer over een aantal mijnbouwdossiers. Met de brief benadrukt de minister het belang van toepassingen in de diepe ondergrond - bijvoorbeeld voor het benutten van aardwarmte, voor zoutwinning of de opslag van CO₂ of energiedragers - in het licht van de energietransitie en de beoogde verduurzaming van de industrie, de gebouwde omgeving en het energiesysteem. De minister wijst in dit verband onder meer op het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond (DGDO). Hiervoor werd in april de concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau (cNRD) voor de plan-MER ter inzage gelegd. Deze bakent het onderzoek af naar de milieueffecten van het toekomstige gebruik van de diepe ondergrond voor de energietransitie. De opbrengsten van de terinzagelegging worden op dit moment verwerkt. Parallel aan het programma DGDO werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan het programma Bodem, Ondergrond en Grondwater (BOG), dat gaat over de ondiepe ondergrond. Voor beide programma’s zal een gezamenlijk hoofdstuk worden opgesteld, waarin de huidige gezamenlijke structuurvisie ondergrond (STRONG) verankerd wordt.
Kamerbrief over toezeggingen bestuursrecht
Met de Kamerbrief van 13 mei 2026 informeert de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (JV) de Tweede Kamer over het bestuurlijke afwegingskader voor het instellen van hoger beroep in het bestuursrecht. Dit rijksbrede afwegingskader heeft tot doel om bestuursorganen bij de keuze om al dan niet hoger beroep in te stellen concrete ondersteuning te bieden bij het afwegen van de belangen van de burger en het algemeen belang en bevat minimale uitgangspunten voor een zorgvuldige belangenafweging. De achterliggende gedachte is dat van de overheid mag worden verwacht terughoudendheid te betrachten bij het instellen van hoger beroep en bij haar afweging extra rekening te houden met de impact ervan op burgers. Het kader bevat ook normen voor behoorlijk procedeergedrag. Deze beperken zich niet tot hoger beroep, maar geven aan wat er van de overheid mag worden verwacht wanneer deze in bestuursrechtelijke procedures tegenover de burger staat.
Kamerbrief over bekendmaking uitkomsten achtste tranche Woningbouwimpuls en tweede tranche Woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven
In de Kamerbrief van 28 mei 2026 brengt de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de Tweede Kamer op de hoogte van de uitkomsten van de achtste tranche Woningbouwimpuls (Wbi) en de tweede tranche Woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven (WMRE). Beide regelingen moeten bijdragen aan he oplossen van het woningtekort door het bieden van financiële ondersteuning aan projecten die voorzien in meer betaalbare woningen en aan de haalbaarheid van projecten die anders niet of vertraagd tot uitvoering zouden komen. In de brief wijst de minister op de Nationale Woningbouwkaart. Deze bevat een overzicht van alle openbare woningbouwplannen in Nederland, inclusief aantallen, locaties, woningtypen en voortgang (voorgenomen datum van start en afronding) per gemeente en regio. In juni 2026 worden daar de gegevens aan toegevoegd over de woningbouwprojecten die een financiële bijdrage vanuit het Rijk ontvangen.
Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?
Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.