Signaleringsblog week 21: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode. 

I- Jurisprudentie  

‘Beoogde ingangsdatum’ schaarse vergunning is geen verplicht onderdeel van transparante verdelingsprocedure 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 13 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2738) dat het vermelden van de beoogde ingangsdatum geen verplicht onderdeel is van de lokale regeling ter verdeling van een vrijgekomen schaarse exploitatievergunning. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, was de burgemeester in dit geval niet alleen bevoegd maar op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel ook gehouden om bij het verlenen van de schaarse vergunning af te wijken van deze ingangsdatum. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de ingangsdatum van de verleende exploitatievergunning voor het uitbaten van een speelautomatenhal. Vanwege het schaarse karakter van deze vergunning heeft de burgemeester een transparante verdelingsprocedure georganiseerd. De exploitant aan wie de (tijdelijke) vergunning voor de duur van tien jaar uiteindelijk werd verleend, stelde de daarbij bepaalde ingangsdatum ter discussie. Volgens de exploitant was een periode van vier weken tussen het verlenen van de vergunning en de ingangsdatum te kort om zich als nieuwkomer voor te bereiden op de start van de exploitatie. Bovendien had de burgemeester de voor de exploitatie eveneens vereiste aanwezigheids- en omgevingsvergunning pas een kleine vijf maanden na de ingangsdatum verleend, zodat de exploitant feitelijk niet de mogelijkheid had om de speelautomatenhal daadwerkelijk voor een periode van minimaal tien jaar (gerekend vanaf de bestreden ingangsdatum) te exploiteren. In hoger beroep betoogt de exploitant onder meer dat de burgemeester vanwege deze beide omstandigheden had moeten afwijken van de in de verdelingsregeling vermelde ingangsdatum. De Afdeling geeft de exploitant hierin gelijk en overweegt dat in het Nederlands recht een rechtsnorm geldt die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet bieden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927). Om gelijke kansen te realiseren, moet het bestuursorgaan een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Het bestuur moet hierover tijdig voorafgaand aan de start van de aanvraagprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken via een zodanig medium dat potentiële gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. Naar het oordeel van de Afdeling is de ingangsdatum van de vergunning geen onderdeel van deze transparantieverplichting: hoewel het vooraf bekendmaken van de ingangsdatum kan bijdragen aan een transparante verdelingsprocedure, is de burgemeester hiertoe niet verplicht. Evenmin vormt een vooraf vastgestelde ingangsdatum van de vergunning een wezenlijke voorwaarde om gelijke kansen te creëren voor potentiële gegadigden die willen meedingen naar beschikbare schaarse vergunningen. Omdat de beoogde ingangsdatum in dit geval bovendien slechts een streefdatum is en vanwege het informatieve karakter ervan niet gericht is op rechtsgevolg, heeft de rechtbank volgens de Afdeling ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester ten tijde van het verlenen van de exploitatievergunning vanwege het transparantievereiste niet meer kon afwijken van de beoogde ingangsdatum. De Afdeling concludeert dat het zorgvuldigheidsbeginsel de burgemeester er in dit geval toe verplichtte om dat juist wel te doen. 

Niet toepassen van hardheidsclausule in situatie waarvoor deze is bedoeld, is onrechtmatig 

In haar uitspraak van 13 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2734) oordeelt de Afdeling dat de minister van Financiën ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van art. 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, Wet hersteloperatie toeslagen (“Wht”). In hoger beroep betoogt appellant dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat zijn huidige situatie als gevolg van zijn hoge schulden, ernstige medische omstandigheden en andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden zó schrijnend is, dat hij - in strijd met de bedoeling van de Wht - geen nieuwe start kan maken zonder dat de minister (lees: de Belastingdienst/Toeslagen) zijn resterende private schuld vanwege achterstallige huurbetalingen, al dan niet met toepassing van de hardheidsclausule, overneemt. De Afdeling overweegt dat de in art. 9.1 opgenomen hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven (vgl. de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456). Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijnende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant in hoger beroep zijn beroep op de hardheidsclausule onderbouwd. De Afdeling stelt ook vast dat de minister op de zitting de problematische schulden, financiële nood en schrijnende situatie van appellant heeft erkend. De Afdeling volgt de minister niet in zijn standpunt dat in de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Dat ontruiming dreigt, hoeft volgens de Afdeling niet met een ontruimingsbevel te worden geconcretiseerd, omdat het dan namelijk te laat is om ontruiming te voorkomen. Verder is het geen voorwaarde voor de toepassing van de hardheidsclausule dat door overname van de schuld de schrijnende situatie volledig wordt opgelost. Overname van de onderhavige schuld leidt tot een aanzienlijke vermindering van de schuldenlast en daarmee tot een substantiële verlichting in de schrijnende financiële situatie van appellant. De Afdeling vernietigt om die reden het afwijzende besluit tot overname van het resterende deel van de schuld van appellant en voorziet, nu partijen het onderling eens zijn over de hoogte van het resterende deel, ten gunste van appellant zelf in de zaak. 

Toezicht op naleving geluidvoorschriften windturbines vergt zorgvuldig onderzoek met daadwerkelijke geluidmetingen  

Uit de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:2092) volgt dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van de geluidsnormen van een windmolenpark door dit niet met daadwerkelijke geluidmetingen vast te stellen. Aanleiding voor dit oordeel was de afwijzende beslissing op het door een stichting ingediend verzoek om handhavend optreden tegen (onder meer) de (cumulatieve) geluidsuitstoot van verschillende op land opgestelde windturbines. De stichting betoogt in beroep dat het college ten onrechte geen fysieke geluid- en bronmetingen heeft uitgevoerd, zodat een officieel meetdocument over het geluid van de windturbines ontbreekt. Volgens de stichting mocht het college niet volstaan met een administratieve beoordeling van de verificatiedocumenten van de fabrikant van de windmolens en de opgevraagde bronvermogens per windklasse, om vervolgens uitsluitend op basis daarvan te concluderen dat de windturbines aan de geluidnormen voldoen. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat van een belanghebbende die om handhaving verzoekt (in beginsel) niet verwacht kan worden dat hij het bewijs van een overtreding levert (vgl. de Afdelingsuitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2743). Wel moet diegene voldoende aanknopingspunten bieden voor onderzoek naar de vaststelling dat sprake is van een overtreding (vgl. de Afdelingsuitspraak van 5 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:147). De rechtbank is van oordeel dat eisers in deze zaak met hun verzoek voldoende aanknopingspunten hebben geboden voor het college om te onderzoeken of er inderdaad sprake is van een overtreding. In het geval van geluidsoverlast is het voor omwonenden immers moeilijk om aan te tonen dat een geluidsnorm daadwerkelijk wordt overtreden, omdat zij meestal niet over geschikte apparatuur beschikken om dat aan te tonen. Door geen fysieke metingen uit te voeren heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek gedaan naar de gestelde overtreding van de geluidnormen. Als het, zoals in dit geval, gaat om toezicht op de naleving van de gestelde voorschriften en/of normen, zal het college volgens de rechtbank moeten controleren of in de praktijk ook daadwerkelijk aan die voorschriften en/of normen wordt voldaan. Daarbij is de rechtbank zich er van bewust dat het meten van geluid ingewikkeld is en dat er een jaarnorm geldt. Tegelijkertijd zijn de windturbines inmiddels opgericht en al geruime tijd in werking, zodat het volgens de rechtbank mogelijk moet zijn om daadwerkelijke geluidmetingen uit te voeren. Omdat het college dergelijke metingen in het geheel niet heeft uitgevoerd, concludeert de rechtbank dat het collegestandpunt dat de windturbines ‘op papier’ aan de geluidnormen voldoen te voorbarig is. 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving

Verzamelbesluit Omgevingswet IenW externe veiligheid 2026 doorloopt internetconsultatietraject

In de periode van 19 mei 2026 tot en met 16 juni 2026 ligt het concept Besluit van … tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met aanvullende regels voor externe veiligheid (Verzamelbesluit Omgevingswet IenW externe veiligheid) voor een ieder ter inzage ten behoeve van internetconsultatie. Het conceptbesluit vult het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit (Ob) aan met enkele regels op het gebied van externe veiligheid. De aanvullende regels hebben onder meer betrekking op de aandachtsgebieden voor wegen, spoorwegen en binnenwateren die onderdeel zijn van het zogeheten basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gedurende de periode van terinzageligging kan een ieder reageren op het consultatiedocument. 

Internetconsultatie voor concept wetsvoorstel Wijziging Wet milieubeheer t.b.v. Besluit duurzaamheid biomassa 

Vanaf 18 mei 2026 doorloopt het concept wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met toezicht en handhaving door de Nederlandse Emissieautoriteit en de handhaving van voorschriften met betrekking tot gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen een internetconsultatietraject. Voor een klimaatneutrale en circulaire samenleving is de inzet van biogrondstoffen noodzakelijk. In sectoren zoals de bouw en chemie kan door de inzet van biogrondstoffen de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen worden afgebouwd. Het is noodzakelijk dat biogrondstoffen duurzaam zijn geproduceerd. Wettelijke eisen om dit te borgen worden vastgelegd in regeling op grond van het Besluit duurzaamheid biomassa, dat voorziet in private certificering en verificatie. Met deze wijziging wordt publiek toezicht ingesteld op certificeringsorganen die opereren binnen dit private stelsel. Via wijziging van de Wet milieubeheer (“Wm”) wordt deze toezichts- en handhavingsbevoegdheid belegd bij het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) Tot en met 13 juli 2026 kunnen belangstellenden reageren op het consultatiedocument. 

Samenhangend met dit conceptwetsvoorstel is op 19 mei 2026 ook het concept Besluit houdende regels inzake de duurzaamheid van biomassa (Besluit duurzaamheid biomassa) vrijgegeven voor internetconsultatie. Omdat de productie en verwerking van biomassa (biogrondstoffen) kunnen leiden tot milieuschade door bijvoorbeeld ontbossing en verlies van biodiversiteit, is het van belang dat biogrondstoffen op een duurzame wijze worden geproduceerd. Dit conceptbesluit maakt het mogelijk de duurzame herkomst van (gesubsidieerde en gereguleerde stromen) biogrondstoffen binnen de sectoren bouw en chemie aan te tonen via certificatie of verificatie. Tot en met 13 juli 2026 kan een ieder reageren op het conceptbesluit. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.