Signaleringsblog week 19: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.

I- Jurisprudentie  

Specialiteitsbeginsel staat niet in de weg aan betrekken belangen omwonenden bij instellen ligplaatsverbod 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2430) dat het specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan het meewegen van andere dan de in art. 3 Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen, zodat het college van burgemeester en wethouders (“college”) bij het instellen van het ligplaatsverbod ook acht had moeten slaan op de gerechtvaardigde belangen van appellanten. Deze kwamen als woonbootbewoners en exploitanten van een op hun woonboot uitgebate bed & breakfast op tegen het op grond van de Scheepvaarverkeerswet genomen verkeersbesluit, waarmee met het oog op de veiligheid van zwemmers een verbod voor het scheepverkeer werd ingesteld om af te meren bij een nabijgelegen steiger. Tegen de wens van appellanten zou dat verbod recreatief zwemmen in de buurt van hun woonboot aanmoedigen, reden om vanwege de daarvan ondervonden overlast op te komen tegen het ingestelde verbod. In hoger beroep was onder meer in geschil of het college rekening had moeten houden met de (voor appellanten) negatieve gevolgen die voortvloeien uit het ingestelde afmeerverbod. De Afdeling overweegt dat art. 3 Scheepvaarverkeerswet niet imperatief is geformuleerd en ruimte laat voor een belangenafweging. In zoverre staat het specialiteitsbeginsel er naar het oordeel van de Afdeling niet aan in de weg om ook andere dan de in art. 3 Scheepvaartverkeerswet genoemde nautische belangen mee te wegen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3709). Volgens de Afdeling betekent dit echter niet dat de Scheepvaartverkeerswet voorschrijft hoe de in de afweging te betrekken belangen ten opzichte van elkaar moeten worden afgewogen; het algemeen belang kan - mits deugdelijk gemotiveerd - voorgaan boven het individuele belang dat daarmee geschaad wordt. 

Programma (Ow) niet rechtstreeks appellabel, als dit niet voorziet in nieuwe activiteiten waarvoor geen nadere toestemming meer nodig is

In zijn uitspraak van 29 april 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:2691) verklaart de rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd om kennis te nemen van het tegen het Programma Duurzame Polder gerichte beroep, omdat hiertegen geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. Het op grond van art. 3.4 Omgevingswet (“Ow”) vastgestelde programma legt, als regionale uitwerking van de Regionale Energie Strategie (RES), een ruimtelijke basis voor de realisatie van windturbines en is voorbereid met de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”). In beroep is in geschil of het vaststellingsbesluit een appellabel besluit in de zin van art. 1:3 Awb is waartegen beroep kan worden ingesteld. De rechtbank overweegt dat ingevolge art. 8:5, eerste lid, Awb geen beroep kan worden ingesteld tegen een in art. 1 bijlage 2 genoemd besluit (de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). Uit de wetsgeschiedenis van de Invoeringswet Ow (TK 34 986 nr. 3) volgt dat het besluit tot vaststelling van programma in de regel geen besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb is en om die reden niet appellabel bij de bestuursrechter. Rechtstreeks beroep staat daarentegen wel open tegen delen van programma’s met specifieke rechtsgevolgen. Dit geldt voor programma’s die een rechtstreekse titel geven voor activiteiten; voor die activiteiten volgt geen afzonderlijk toestemmingsbesluit meer voor het aspect (de omgevingswaarde of andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving) waarop het programma ziet. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het vastgestelde programma in dit geval geen beschrijvingen van activiteiten die daarna geen toestemming meer nodig hebben. Omdat nadere besluitvorming nodig is om de bouw van de voorziene windmolens mogelijk te maken en tegen dat (wel op uitvoering gerichte) besluit bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat, concludeert de rechtbank dat hij onbevoegd is om van het tegen het Programma gerichte beroep kennis te nemen. 

Bestuursorgaan moet bij beslissing op bezwaar rekening houden met ondergeschikte wijziging oorspronkelijke aanvraag 

Uit de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 17 april 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:2129) volgt dat het college bij de heroverweging van het besluit om geen planologische medewerking te verlenen aan het ingediende bouwplan ook rekening heeft te houden met de tijdens de bezwaarfase ingediende aangepaste bouwtekeningen, voor zover de aangebrachte wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de besluitvorming in bezwaar zowel het oorspronkelijke als het gewijzigde bouwplan in strijd waren met het omgevingsplan (de daarin opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid daaronder begrepen) en dat het college hieraan om stedenbouwkundige redenen geen planologische medewerking wenst te verlenen. Ter bepaling van het antwoord op de vraag of het college ook de aangepaste bouwtekeningen bij de heroverweging van het primaire besluit mocht betrekken, overweegt de rechtbank dat de hoofdregel is dat het bestuursorgaan bij de heroverweging in het kader van het bezwaar rekening moet houden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op het moment van die heroverweging voordoen. Dit betekent volgens de rechtbank dat het bestuursorgaan moet beslissen op de grondslag van de oorspronkelijk ingediende aanvraag. Een gewijzigde aanvraag kan daarbij alleen in de heroverweging worden betrokken als deze van ondergeschikte aard is (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3019). Omdat de nieuwe tekeningen in dit geval niet leiden tot een wijziging van de verschijningsvorm van het bouwproject, maar enkel tot een wijziging van de maatvoering én de afwijking van het omgevingsplan door deze wijziging niet groter wordt, concludeert de rechtbank dat het niet nodig was om voor deze wijziging een nieuwe aanvraag in te dienen. Het college moest om diezelfde reden de wijziging betrekken in de heroverweging op grondslag van het bezwaar.

Regionale woningbouwbehoefte vormt ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ die aantasting fourageergebied das afweegbaar maakt 

De rechtbank Midden-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:1474) dat Gedeputeerde Staten (“GS”) toereikend hebben gemotiveerd dat het beoogde woningbouwproject een ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ (als bedoeld in art. 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3°, Besluit kwaliteit leefomgeving, “Bkl”) die mag worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijn nagestreefde soortenbescherming. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de door GS ten behoeve van het woningbouwproject verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor een aaneensluitende periode van twee jaar. Gedurende deze periode wil vergunninghoudster vijf grondgebonden koopwoningen realiseren op een locatie die is gelegen in het fourageergebied van de das. Na een eerdere tussenuitspraak (van 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:20255410) moet de rechtbank in beroep beoordelen of GS met het herstelbesluit tot vergunningverlening dit keer wel toereikend hebben gemotiveerd dat de vergunde flora- en faunactiviteit is verleend vanwege een dwingende reden van groot openbaar belang. In zijn tussenuitspraak stelde de rechtbank voorop dat een dringende behoefte aan woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen (vgl. de Afdelingsuitspraken van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH6955, 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0446 en 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701 over het voorheen geldende soortenbeschermingsregime uit de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Flora- en Faunawet. De rechtbank stelt dat GS aan het herstelbesluit deskundigenonderzoek naar de regionale woningbehoefte binnen de vastgestelde woningmarktregio ten grondslag hebben gelegd. Daarmee hebben GS de noodzaak van het woningbouwproject en het wettelijk belang - de ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ als bedoeld in art. 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3°, Bkl - van de bestreden omgevingsvergunning voldoende onderbouwd. Volgens de rechtbank mochten GS daarmee het belang van woningbouw afwegen tegen het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Omdat sprake is van een relatief klein bouwproject van vijf woningen, zal de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das volgens de rechtbank ook beperkt zijn. Bovendien wordt met mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das, aldus de rechtbank.  

Verrichte zoekslag bij beoordeling Woo-verzoek moet in besluit bovenal voldoende inzichtelijk zijn 

Uit de uitspraak van 14 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9100) van de Rechtbank Den Haag volgt dat het antwoord op de vraag of het bestuursorgaan in zijn beslissing op een op de Wet open overheid (“Woo”) gebaseerd verzoek om openbaarmaking de zoekslagen naar documenten die binnen de reikwijdte van dat verzoek vallen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt van geval tot geval moet worden beoordeeld. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de vraag of de staatssecretaris van Financiën de gemaakte zoekslagen zorgvuldig had uitgevoerd en voldoende inzichtelijk had gemaakt in het bestreden Woo-besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De rechtbank overweegt dat uit Afdelingsrechtspraak volgt dat een bestuursorgaan het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten is gemaakt (vgl. de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367). Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder verplicht is om de gehele methode van zoeken naar documenten op alle voornoemde aspecten tot in detail toe te lichten en dat het niet of slechts summier toelichten van de zoekslag op een of enkele van deze aspecten onmiddellijk leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek. Het gaat er volgens de rechtbank om dat de zoekslag voldoende inzichtelijk is; dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Volgens de rechtbank bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris verplicht was een overzicht te maken van alle bij de zoekslag aangetroffen documenten en daarbij aan te geven of deze wel of niet zijn afgevallen na het maken van de schifting. Uit de hiervoor aangehaalde Afdelingsjurisprudentie volgt namelijk slechts dat een bestuursorgaan, gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb, de verrichte zoekslag voldoende inzichtelijk dient te maken en daarbij bijvoorbeeld aandacht kan besteden aan de schifting van de aangetroffen documenten. De rechtbank ziet hierin geen verplichting voor de staatssecretaris om dat ook in dit geval te doen. 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Mededeling Europese Commissie over eenvoudigere, duidelijkere en beter handhaafbare EU-wetgeving 

In de op 28 april 2026 verschenen mededeling pleit de Europese Commissie voor eenvoudigere, duidelijkere en beter handhaafbare EU-wetgeving. Dat zorgt er volgens de commissie voor dat EU-wetgeving beter is afgestemd op de behoefte van burgers en bedrijven. In de mededeling benoemt de commissie daartoe een aantal maatregelen die de uitvoering en de handhaving van EU-wetgeving ten goede komen. Meer informatie hierover vindt u in dit persbericht van de Europese Commissie. 

Concept Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2027 vrijgegeven voor internetconsultatie 

In de periode van 4 mei 2026 tot en met 1 juni 2026 staat de voorgenomen Wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en het Invoeringsbesluit Omgevingswet (“Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2027”) open voor internetconsultatie. Het Verzamelbesluit bevat beleidsinhoudelijke wijzigingen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit en het Invoeringsbesluit Omgevingswet en introduceert onder andere regels voor (i) emissies van gasmotoren die vergistingsgas als brandstof gebruiken, (ii) passende stofbestrijding bij de op- en overslag van grond, zand en ijzerschroot; (iii) de toetsing van de geluidsnormen voor gebouwen die gevoelig zijn voor geluid en die volgens het omgevingsplan niet de hele dag en nacht worden gebruikt; (iv) de omgang met stapeling van geluid van meerdere bronnen bij geluidsgevoelige gebouwen; (v) het tentoonstellen van veilige genetisch gemodificeerde organismen; en (vi) implementatie van de milieueffectrapportage richtlijn (mer-richtlijn). Daarnaast bevat het Verzamelbesluit een aantal technische wijzigingen. Gedurende de consultatieperiode kan een ieder reageren op het conceptbesluit. 

Internetconsultatie voor conceptbesluit tot wijzigen Bbl vanwege energieprestatie gebouwen (EPBD IV)   

Vanaf 29 april 2026 doorloopt het conceptbesluit tot wijzigen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (“Bbl”) een internetconsultatietraject. De voorgenomen wijziging houdt verband met de implementatie van de 2e tranche van de regelgeving ter gedeeltelijke implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1275 van 24 april 2024 over de energieprestatie van gebouwen (“EPBD IV”). De maatregelen uit de EPBD IV zijn erop gericht de uitstoot van broeikasgassen door de gebouwde omgeving te verminderen met het oog op het behalen van de eerder beschreven doelstellingen. Doel is de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren en de broeikasgasemissies van gebouwen te verminderen om tegen 2050 tot een emissievrij gebouwenbestand te komen met inachtneming van de klimatologische omstandigheden buiten het gebouw, de plaatselijke omstandigheden, de eisen voor de binnenluchtkwaliteit, en kosteneffectiviteit. De EPBD IV bevat onder meer nieuwe regels met betrekking tot nieuwbouw. Tot en met 26 mei 2026 kunnen belangstellenden reageren op het consultatiedocument. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.