Signaleringsblog week 17: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.

I- Jurisprudentie  

Belangstelling voor schaarse ligplaatsvergunning impliceert niet automatisch belanghebbendheid bij besluitvorming daarover 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2073) dat de enkele wens om in aanmerking te komen voor een schaarse ligplaatsvergunning voor een bestaande woonboot onvoldoende is om als belanghebbende (in de zin van art. 1:2 Algemene wet bestuursrecht, “Awb”) bij het besluit tot verlenen van die vergunning te kunnen worden aangemerkt. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het oordeel van de rechtbank dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) het tegen de verleende ligplaatsvergunning ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard, omdat appellant - een belangstellende derde - niet kwalificeert als belanghebbende. Appellant betoogt dat de omstandigheid dat hij zich voorafgaand aan het moment van vergunningverlening niet als potentieel gegadigde heeft kunnen melden, met als gevolg dat hij nadien niet wordt gezien als belanghebbende, is terug te voeren op het ontbreken van een transparante voorbereidings- c.q. verdelingsprocedure. Om diezelfde reden kan hem evenmin worden verweten geen aanvullende voorbereidingshandelingen te hebben verricht (zoals het overleggen van een koop- of optieovereenkomst ter verkrijging van een woonboot). De Afdeling overweegt dat onder ‘belanghebbende’ (in de zin van art. 1:2, eerste lid, Awb) wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarvoor dient sprake te zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is onvoldoende; hetzelfde geldt voor louter het voornemen om zich ergens te vestigen zonder dat daaraan een begin van uitvoering is gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling is appellant geen belanghebbende bij de verleende ligplaatsvergunning: voorafgaand aan deze besluitvorming heeft appellant op geen enkele manier bij het college zijn interesse in de ligplaats kenbaar gemaakt, ook niet naar aanleiding van de voorafgaand aan de vergunningverlening gepubliceerde vergunningaanvraag. Het had volgens de Afdeling op de weg van appellant gelegen om zich op dat moment tot het college te wenden, te meer nu hij te kennen heeft gegeven bekend te zijn met het lokale beleid omtrent ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten. Niet gebleken is dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van een willekeurig ander; de enkele wens om een ligplaatsvergunning op de vergunde locatie te krijgen is daarvoor onvoldoende (vgl. de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2410). Naar het oordeel van de Afdeling kan geen belanghebbendheid worden aangenomen vanwege de enkele intentie om de rechtmatigheid van een verdelingsprocedure bij een schaarse vergunning aan de orde te stellen: ook in de situatie van niet-economische vergunningen voor particulieren, zoals in dit geval bij ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten, geldt dat een potentiële belangstellende zijn interesse in zo’n vergunning tijdig bij het bestuursorgaan kenbaar moet maken. 

Vanwege ontbreken relevante feitelijke werkzaamheden strandt beroep van procederende stichting op relativiteitsvereiste 

In haar uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2061) oordeelt de Afdeling dat de stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht ter verwezenlijking van de algemene belangen die zij blijkens haar statuten beoogt te beschermen, zodat het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb in de weg staat aan vernietiging van de bestreden besluiten op grond van hetgeen de stichting daartegen in beroep heeft aangevoerd. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de ontgrondingen-, omgevings-, en watervergunning die Gedeputeerde Staten (GS), het college respectievelijk het waterschap hadden verleend voor een ontgrondingsproject. Daartegen in beroep kwam onder meer de stichting die zich blijkens haar statutaire doelstellingen richt op het behartigen van algemene, ideële belangen, namelijk de bescherming en verbetering van de natuur, het landschap en het milieu binnen de regio. De Afdeling ziet zich vanwege het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb voor de vraag gesteld of de beroepsgronden die de stichting aanvoert strekken tot bescherming van de belangen waarvoor de belangenorganisatie in rechte opkomt. De Afdeling stelt voorop dat de beroepsgronden van de stichting geen betrekking hebben op het recht op inspraak. Dat is relevant, omdat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606). De Afdeling overweegt dat in een geval als hier, waarin een belangenorganisatie die volgens haar statuten één of meer algemene belangen behartigt, ontvankelijk is omdat zij een zienswijze naar voren heeft gebracht, naast de statutaire doelstellingen mede van belang wordt geacht of zo’n belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1139). Een belangenorganisatie kan namelijk niet opkomen voor de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt, indien zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht. Volgens vaste Afdelingsrechtspraak moet bij die beoordeling worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld (vgl. de uitspraak van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116). Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn (vgl. de Afdelingsuitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431). Verder geldt dat het enkel voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van art. 1:2, derde lid, Awb. Ook werkzaamheden die verband houden met het voeren van juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:373, en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:808). De Afdeling stelt vast dat de werkzaamheden van de stichting sinds 2015 tot aan het instellen van beroep vrijwel geheel bestaan uit het voeren van juridische procedures en het verrichten van voorbereidende werkzaamheden in verband met deze juridische procedures. De Afdeling overweegt ook dat er geen sprake is van een bundeling van rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken individuele belangen, waarin de feitelijke werkzaamheden al zijn gelegen. Dat de algemene belangen die de stichting stelt te behartigen mede ten goede komen aan het woon- en leefklimaat van bewoners en gebruikers van het gebied, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. De Afdeling komt tot de slotsom dat de stichting geen relevante feitelijke werkzaamheden heeft verricht en om die reden niet kan worden aangemerkt als een milieuorganisatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat de stichting zich niet met succes kan beroepen op de algemene belangen zoals die in haar statuten staan vermeld. Omdat de in beroep ingeroepen rechtsregels niet strekken tot bescherming van de belangen waarop de Stichting zich kan beroepen, staat art. 8:69a Awb in de weg aan vernietiging van de besluiten op grond van hetgeen de stichting daartegen heeft aangevoerd, aldus de Afdeling. 

Lange sluitingsduur drugswoning wegens overtreding art. 13b Opiumwet onevenredig 

Uit de Afdelingsuitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2067) volgt dat de burgemeester weliswaar bevoegd was om de woning waarin harddrugs en handelsattributen waren aangetroffen op grond van art. 13b Opiumwet tijdelijk te sluiten, maar dat een sluitingsduur van twaalf maanden in dit geval niet noodzakelijk en evenwichtig is. Daarmee wijkt de Afdeling af van het oordeel van de rechtbank die deze sluitingsduur wel evenredig vond. De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, verschillende omstandigheden van belang zijn, waaronder (i) de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit en gevolgen voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving, (ii) de vraag of de drugs feitelijk in of vanuit de woning zijn verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand, (iii) de vraag of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit, (iv) de vraag of de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en (v) de vraag of sprake is van recidive. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester in dit geval met het enkele toepassen van zijn ‘Damoclesbeleid’ onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting van twaalf maanden ook in dit geval, waarin sprake is van een eerste overtreding, noodzakelijk en evenwichtig is. Weliswaar vervulde de woning een rol binnen de keten van drugshandel, maar kan, bijvoorbeeld, niet worden gesteld dat de woning een professionele productielocatie was waarbij de kans op herhaling vanwege het professionele karakter groot is en de burgemeester om die reden heeft mogen overgaan tot sluiting van de woning voor twaalf maanden, aldus de Afdeling (vgl. de Afdelingsuitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:189). Het besluit tot sluiting van de woning voor twaalf maanden is volgens de Afdeling dan ook onevenredig in verhouding tot de met het sluitingsbesluit te dienen doelen. Omdat een sluitingsduur van zes maanden volgens de Afdeling in dit geval wel passend is, herroept de Afdeling het bestreden besluit in zoverre en voorziet daarmee zelf in de zaak. 

Positionering schuur ten opzichte van belendende woning is niet onmiskenbaar in strijd met algemene zorgplichten Ow 

De Rechtbank Den Haag oordeelt in zijn uitspraak van 27 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7185) dat het college het verzoek om handhavend optreden terecht heeft afgewezen, omdat - onder meer - de eigenaar van de gewraakte schuur deze niet in strijd met de algemene zorgplichten van de artt. 1.6 jo. 1.7 Omgevingswet (“Ow”) heeft gebouwd. De schuur in kwestie is nagenoeg tegen de zijgevel van de woning van eiser gerealiseerd. Omdat eiser stelt hiervan vocht- en geluidsoverlast in zijn woning te ondervinden, heeft hij het college tevergeefs verzocht hiertegen handhavend op te treden. Nadat de rechtbank in beroep heeft vastgesteld dat de schuur zonder omgevingsvergunning mocht worden geplaatst en niet in strijd met de bouwkundige eisen van art. 3.5 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), gaat de rechtbank na of sprake is van een overtreding van de algemene zorgplicht. Op grond van art. 1.6 Ow draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving; art. 1.7 Ow bevat een algemene zorgplicht voor iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De rechtbank overweegt dat uit art. 1.8 Ow en wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3) volgt dat beide zorgplichten een vangnetfunctie hebben en met name van belang zijn bij activiteiten die niet nader zijn gereguleerd. Omdat niet is gebleken van specifieke regels ter voorkoming van vochtschade bij derden als gevolg van de positionering van de schuur, doet de situatie waarop art. 1.8, eerste lid, Ow ziet - kort gezegd: indien voor een activiteit (wel) specifieke regels zijn gesteld en deze worden nageleefd, dan wordt eveneens voldaan aan beide voornoemde zorgplichten - zich in dit geval niet voor. De rechtbank overweegt dat, evenals onder het regime dat voorafgaand aan inwerkingtreding van de Ow gold, vanwege het vangnetkarakter van een algemene zorgplicht handhavend optreden op grond daarvan enkel aan de orde kan zijn als sprake is van onmiskenbare strijd met een algemene zorgplicht (vgl. de Afdelingsuitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756). Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onmiskenbare strijd in dit geval niet gebleken: de enkele omstandigheid dat uit het door eiser overgelegde bouwkundig rapport volgt dat de beperkte afstand tussen de schuur en de gevel van de woning van eiser leidt tot onvoldoende natuurlijke ventilatie en dat hierdoor onder meer een verhoogd risico op vochtbelasting ontstaat, is hiervoor onvoldoende. Of de aanwezigheid van de schuur daadwerkelijk tot schade aan de woning van eiser heeft geleid of zal leiden, vergt nader onderzoek. Reeds daarom is van een onmiskenbare strijd met de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen sprake. De rechtbank concludeert dat de aanwezigheid van de schuur geen overtreding oplevert waartegen het college handhavend kon optreden. Voor zover eiser meent dat de aanwezigheid van de schuur strijd oplevert met het burenrecht omdat hij hierdoor schade lijdt, hij hierdoor wordt gehinderd in de mogelijkheden om zijn gevel te onderhouden en hij door het gebruik dat van de schuur wordt gemaakt onrechtmatige geluidshinder ondervindt, verwijst de rechtbank eiser naar de civiele rechter.

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Programma ter ondersteuning wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) doorloopt internetconsultatieronde 

Vanaf 17 april 2026 doorloopt het concept Programma ter ondersteuning wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) een internetconsultatietraject. In de Kamerbrief van 17 april 2026 licht de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur toe dat de opvolger van het legalisatieprogramma beoogt PAS-melders voor 1 maart 2028 zicht op een legale situatie te bieden. Het programma bevat de mogelijke oplossingsrichtingen, maatregelen en instrumenten om dat doel te bereiken. Vaststelling van het definitieve programma staat volgens de Kamerbrief gepland voor de zomer van 2026. Tot en met 29 mei 2026 kunnen belangstellenden reageren op het consultatiedocument. 

Conceptwetsvoorstel Uitvoeringswet AI-verordening vrijgegeven voor internetconsultatie

In de periode van 20 april 2026 tot en met 1 juni 2026 kan een ieder in het kader van een internetconsultatietraject reageren op het conceptwetsvoorstel Uitvoeringswet verordening artificiële intelligentie (“Uitvoeringswet AI-verordening”). Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan verordening 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie). De AI-verordening harmoniseert de regels voor de ontwikkeling, het in de handel brengen, het in gebruik stellen, en het gebruik van artificiële intelligentiesystemen (AI-systemen) in de Unie en werkt rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde. Het voorliggende conceptwetsvoorstel voorziet in bepalingen ter uitvoering van de verordening. Het wetsvoorstel beoogt te voorzien in effectief, samenhangend, doelmatig en onafhankelijk markttoezicht op de naleving van de AI-verordening in Nederland. Daartoe wijst het onder meer de nationale bevoegde markttoezichtautoriteiten aan die verantwoordelijk zullen zijn voor het markttoezicht en de handhaving bij overtredingen van de verordening. Ook bevat het wetsvoorstel bepalingen over de bevoegdheden van deze autoriteiten en hun samenwerking.

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.