Signaleringsblog week 16: actuele jurisprudentie en ontwikkelingen bestuursrecht en omgevingsrecht

Article
NL Law

In deze blog signaleren wij kort enkele belangwekkende bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke uitspraken en ontwikkelingen van de afgelopen periode.

I- Jurisprudentie  

Goede procesorde begrenst ook buiten tiendagentermijn de toelaatbaarheid van nieuwe argumenten of nieuw bewijs 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1922) dat de tijdens de hoger beroepsprocedure ingediende nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde deels buiten beschouwing moeten worden gelaten, ook al zijn deze (net) buiten de zogenoemde tiendagentermijn van art. 8:58 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) ingediend. In geschil over een verleende omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een sporthal voor acht padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes dienden enkele appellanten kort voorafgaand aan de zitting in hoger beroep een nader stuk met onder meer opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop en twee notities van twee externe deskundigen. De Afdeling overweegt dat ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in art. 6:6 Awb, ter motivering van een eerdere beroepsgrond nieuwe argumenten kunnen worden aangevoerd en nieuw bewijs kan worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt volgens de Afdeling grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zaak op zitting komt. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van beide vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft een andere appellant één van beide overlegde notities al in een eerder stadium overgelegd, zodat deze notitie niet buiten beschouwing wordt gelaten. Dat geldt niet voor de overgelegde opnames en foto’s en toelichtingen daarop en de tweede notitie: volgens de Afdeling staan de omvang van de stukken, de complexiteit van de notitie en de omstandigheid dat deze stukken eerder hadden kunnen worden ingediend hieraan in de weg. 

Wijzigen bestuurlijk standpunt over daderschap in beroepsfase is niet toegestaan in tweepartijengeschil 

In haar uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1942) oordeelt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) in de beroepsfase geen gewijzigd standpunt mocht innemen ten aanzien van de vraag of wederpartij kwalificeert als functioneel overtreder van het in de lokale Huisvestingsverordening opgenomen verbod om zonder omzettingsvergunning een woning in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de bestuurlijke boete die het college aan wederpartij had opgelegd in diens hoedanigheid van eigenaar van de verhuurde woning. In hoger beroep was het college opgekomen tegen het in beroep gegeven oordeel van de rechtbank dat het college weliswaar bevoegd was om de geconstateerde overtreding te beboeten, maar niet toereikend had aangetoond dat de wederpartij als functioneel pleger van de overtreding kon worden aangemerkt. De Afdeling gaat mee in dit oordeel en benadrukt dat, hoewel het college voorafgaand aan de beslissing op bezwaar weliswaar wist dat wederpartij huurovereenkomsten had gesloten met drie personen die samen geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden voeren, hij daarin geen aanleiding zag om zich ten tijde van het bestreden besluit op het standpunt te stellen dat wederpartij daardoor feitelijk pleger van een overtreding is. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich na de beslissing op bezwaar, in het verweerschrift in beroep, niet alsnog op dit (ten opzichte van de beslissing op bezwaar gewijzigde) standpunt stellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in dit geval gaat om een tweepartijengeschil over het opleggen van een boete en er voor het college geen belemmering bestond om het pas in beroep ingenomen standpunt al van meet af aan in te nemen. Het onnodig uitstellen van het innemen van dit standpunt zou wederpartij volgens de Afdeling onevenredig belasten en een efficiënte rechtsgang belemmeren.

Handhavend optreden tegen illegale plaatsing woonwagen niet onevenredig in licht van EVRM en Algemene wet gelijke behandeling 

Uit de Afdelingsuitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1951) volgt dat de inmenging in het art. 8, eerste lid, EVRM beschermde woonrecht en de beweerdelijke inbreuk op het discriminatieverbod van art. 7a Algemene wet gelijke behandeling (“Awgb”) geen omstandigheden vormen die nopen tot het afzien van handhavend optreden tegen een zonder de vereiste omgevingsvergunning geplaatste woonwagen. Het college had aan appellant, nadat deze ondanks een waarschuwing toch een aanvang had gemaakt met het in twee etappes plaatsen van de woonwagen, een bouwstop in combinatie met een last onder dwangsom opgelegd. In hoger beroep stelt appellant dat het college daarmee handelt in strijd is met het recht op bescherming van zijn privé- en gezinsleven (in de zin van art. 8 EVRM) en het discriminatieverbod van art. 7a Awgb. De Afdeling gaat na of de gestelde schendingen omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het college daarin, gelet op het evenredigheidsbeginsel, aanleiding had moeten zien om af te zien van handhaving. De Afdeling overweegt dat inmenging in een van de in art. 8, eerste lid, van het EVRM beschermde rechten op grond van het tweede lid gerechtvaardigd is, als deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van een of meer in dit lid genoemde legitieme doelen. In dat kader moet een evenwichtige afweging hebben plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Voor zover de bouwstop en de last onder dwangsom kunnen worden aangemerkt als een dergelijke inmenging, is deze inmenging volgens de Afdeling bij wet voorzien (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1484) en noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1904). Daargelaten de vraag of artikel 7a Awgb op deze situatie van toepassing is, staat ook dit artikel er naar het oordeel van de Afdeling niet aan in de weg dat het college mocht overgaan tot handhaving. Dit alleen al, omdat het handhavende optreden is gebaseerd op de omstandigheid dat het plaatsen van een woonwagen op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan dat voor een ieder geldt.

Beoordeling Woo-verzoek: is document voor intern beraad opgesteld voor ‘formele bestuurlijke besluitvorming’? 

De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1961) dat het aan de wethouder gerichte document, waarvan is verzocht om openbaarmaking, is opgesteld voor formeel bestuurlijke besluitvorming (als bedoeld in art. 5.2, derde lid, Wet open overheid, “Woo”), zodat het college had moeten beoordelen of de de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm konden worden verstrekt of dat het kunnen voeren van intern beraad daaraan in de weg stond. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de beslissing op het verzoek om openbaarmaking van alle e-mails, gespreksverslagen, notulen van vergaderingen en overige interne en externe stukken die gaan over de serre en ondergrond bij een specifiek hotel. In geschil was de vraag of het college de openbaarmaking van delen van de gevraagde documenten op goede gronden mocht weigeren. Ten aanzien van het aan de wethouder gerichte document stelt de Afdeling vast niet in geschil is dat dit is opgesteld voor intern beraad en dat hierin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen; de documenten bevatten namelijk visies en standpunten ten behoeve van intern beraad over een civiel geschil. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het document is opgesteld voor ‘formeel bestuurlijke besluitvorming’. De Afdeling overweegt dat dit van geval tot geval moet worden beoordeeld (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4814). Van een dergelijk document is in beginsel geen sprake, als dit document (i) niet of nog niet is bedoeld om aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan voor te leggen voor een keuze uit mogelijkheden van bestuurlijk handelen of nalaten bij de taakuitoefening door die ambtsdrager of dat bestuursorgaan, (ii) nog niet rijp is, of (iii) nog circuleert in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen en waarin er de ruimte moet zijn om gedachten en concepten uit te wisselen (vgl. de algemene beschrijving van documenten die niet zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming in de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3096) die in dit verband als houvast dient). Daarbij geldt dat het voor de kwalificatie als een ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming opgesteld document van belang kan zijn of het document aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan is voorgelegd, maar dat dit niet doorslaggevend is. Evenmin wordt het begrip formele bestuurlijke besluitvorming begrensd door het besluitbegrip in art. 1:3 Awb. Omdat het college in dit geval niet heeft kunnen achterhalen of het betreffende document daadwerkelijk aan de wethouder is voorgelegd, beoordeelt de Afdeling aan de hand van de vorm en de inhoud van het document of aannemelijk is dat dit ten behoeve van formeel bestuurlijke besluitvorming aan de wethouder is voorgelegd of daarvoor rijp was. Naar het oordeel van de Afdeling is dit het geval: uit het document blijkt niet dat het nog een concept is, daarnaast is het document gericht aan de wethouder en voorzien van een datum én worden in het document een concreet voorstel en een beslispunt geformuleerd. Het enkele feit dat het college het document zelf een concept noemt, leidt volgens de Afdeling niet tot een andere conclusie. Omdat het voorgaande betekent dat het college de informatie over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm moet verstrekken, tenzij het kunnen voeren van intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad (aldus art. 5.2, derde lid, Woo), concludeert de Afdeling dat de afwijzende beslissing op dit deel van het Woo-verzoek in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd.  

Rechtbank verduidelijkt aan wie ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten worden toegestuurd respectievelijk bekendgemaakt 

Door aansluiting te zoeken bij art. 3:13 Awb verduidelijkt de Rechtbank Midden-Nederland in zijn uitspraak van 3 april 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:1300) aan wie de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten worden toegestuurd respectievelijk bekendgemaakt. Aanleiding hiervoor was het verzoek van Provinciale Staten (“PS”) om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking die, ter uitvoering van het provinciaal inpassingsplan, de weg vrij moet maken voor de beoogde uitbreiding van een transformatorstation. De rechtbank beoordeelt het verzoek om bekrachtiging aan de hand van de wettelijk voorgeschreven ambtshalve basistoets en de door belanghebbenden ingebrachte bedenkingen. Bij de ambtshalve basistoets gaat de rechtbank onder meer na of de onteigeningsbeschikking is voorbereid volgens de wettelijke vormvoorschriften. Daarmee wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking. 

De rechtbank stelt vast dat op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (“uov”) uit de Awb van toepassing is (art. 16.33b Omgevingswet, “Ow”). De ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten in dat verband niet alleen ter inzage worden gelegd; PS moeten de ontwerp onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging en vervolgens de vastgestelde onteigeningsbeschikking ook toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht (artt. 3:13 en 3:41, eerste lid, Awb). Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Kamerstukken II 2003/2004, 29421, nr. 3) volgt dat onder de ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’ in elk geval moeten worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. 

De rechtbank constateert dat PS van de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking als van de definitieve onteigeningsbeschikking (elk met de bijbehorende stukken) weliswaar kennisgeving hebben gedaan in het Provinciaal blad, maar dat beide documenten niet aan diverse zakelijk gerechtigden zijn verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank hadden PS de ontwerp en de vastgestelde onteigeningsbeschikking wel aan deze partijen moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Vanwege hun recht van opstal ten aanzien van de te onteigenen percelen zijn de belangen van deze partijen immers rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn deze partijen (dus) belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht. De omstandigheid dat, zoals PS op verzoek van de rechtbank na de zitting hebben toegelicht, deze partijen niet rechtstreeks in hun belangen zouden worden geraakt, omdat hun opstalrechten zijn gevestigd buiten de te onteigenen perceelsgedeelten, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking af te wijken van het bepaalde in art. 3:13 Awb door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De onteigeningsprocedure is gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden, hetgeen voorkomt dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte, aldus de rechtbank. Hoewel de onteigeningsbeschikking volgens de rechtbank niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid, ziet de rechtbank desalniettemin aanleiding om dit gebrek te passeren (met toepassing van art. 6:22 Awb dat op grond van art. 16.113, eerste lid, Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure). 

II – Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 

Kamerbrief over hoger beroep in Klimaatzaak Greenpeace Bonaire

Met de Kamerbrief van 10 april 2026 informeert de minister van Klimaat en Groene Groei, mede namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat het kabinet hoger beroep zal instellen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) in de procedure die Greenpeace Nederland had aangespannen tegen de Nederlandse Staat. Aanvullend wil het kabinet namens de Staat het gerechtshof Den Haag verzoeken om het bij die uitspraak gegeven mitigatiebevel - de verplichting om per direct in nationale regelgeving absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie op te nemen - te schorsen totdat het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan. In de Kamerbrief schetst de minister enkele kernoverwegingen die voor het kabinet aanleiding vormen om op te komen tegen de rechtbankuitspraak. De precieze gronden van het hoger beroep wil het kabinet de komende tijd nader bepalen en uitwerken. De minister verwacht de Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de voortgang waarmee het kabinet uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechtbank. 

Internetconsultatie conceptvoorstel Wijzigingswet Omgevingswet stelselaspecten

Vanaf 8 april 2026 doorloopt het conceptvoorstel voor de Wijzigingswet Omgevingswet stelselaspecten 20.. (WOws) een internetconsultatieronde. Het betreft een eerste stap om tot een inhoudelijke verzamelwet te komen die tot doel heeft om onvolkomenheden op te heffen en het stelsel van de Omgevingswet te verbeteren in lijn met de oorspronkelijke verbeterdoelen en uitgangspunten van de wet: (i) het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; (ii) het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; (iii) het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en (iv) het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving. Het wetsvoorstel beoogt geen grote inhoudelijke wijzigingen door te voeren; daarvoor wil het kabinet de evaluatie van de Omgevingswet afwachten. Tot en met 8 mei 2026 kunnen belangstellenden reageren op de consultatiedocumenten. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs. Eerder verschenen Signaleringsblogs kun u hier raadplegen.