Mateloosheid in het milieustrafrecht

Article
NL Law
EU Law

De herziene Europese richtlijn milieustrafrecht – Richtlijn (EU) 2024/1203 – moest uiterlijk op 21 mei 2026 door de lidstaten zijn geïmplementeerd. Dat hebben we in Nederland niet gehaald, maar de implementatiewetgeving is intussen wel in aantocht. Door die wetgeving zal het milieustrafrecht fors worden aangescherpt. Bestaande strafbaarstellingen worden uitgebreid en strafmaxima worden verhoogd. Ook komen er twee nieuwe milieumisdrijven bij.

Volgens de Europese richtlijn moet het strafbaar zijn een product in de handel te brengen waarvan het gebruik op een grotere schaal kan resulteren in aanzienlijke schade aan het milieu of de menselijke gezondheid. Hierbij moet het gaan om producten die op zichzelf niet voldoen aan de geldende milieuwetgeving binnen de Europese Unie. 

In Nederland wordt dit geïmplementeerd in het Wetboek van Strafrecht (art. 173c Sr). Degene die opzettelijk en wederrechtelijk waren verkoopt of te koop aanbiedt waarvan het gebruik op een grotere schaal ten gevolge heeft dat een stof, voorwerp of energie op of in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater wordt gebracht, begaat een zwaar milieumisdrijf. De maximale gevangenisstraf varieert al naar gelang de ernst van het potentiële gevolg. Acht jaar bij gevaar voor aanzienlijke schade aan het milieu, tien jaar bij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en twaalf jaar voor daadwerkelijke vernietigende schade. Er is ook een culpoze variant (art. 173d Sr). 

De nieuwe delictsomschrijvingen zijn gericht tot degene die het product verhandelt. Hij is strafbaar, terwijl het de gebruikers van het product zijn die in meer directe zin voor het gevaar of de schade zorgen. Het is een vorm van strafrechtelijke ketenaansprakelijkheid.

Wat moet men zich voorstellen bij gebruik op een grotere schaal? Niet veel, zo blijkt. Volgens de Europese richtlijn is gedoeld op gebruik van het product door verschillende personen, ongeacht hun aantal. De inschatting dat zeker twee personen het product zullen gebruiken, kan al leiden tot strafbaarheid van de verkoop. 

En wat moet worden verstaan onder aanzienlijke schade? Ook voor die vraag dient men te rade te gaan bij de Europese richtlijn en ook daar is het antwoord ontnuchterend. De richtlijn noemt slechts enkele zeer voor de hand liggende elementen waarmee rekening kan worden gehouden: de ernst, de duur en de omkeerbaarheid van de schade. Aan duidelijkheid is daarmee nauwelijks iets gewonnen. In reactie op terechte vragen vanuit de Tweede Kamer over het begrip aanzienlijke schade kon de regering recentelijk niet veel toevoegen. Volgens haar zal het per geval moeten worden beoordeeld. “Beperkte gevolgen vallen er in elk geval niet onder.”

Deze nadere duiding is weinig behulpzaam. Dat is bezwaarlijk, temeer omdat het begrip aanzienlijke schade wel een kernbegrip is. Het komt namelijk niet alleen voor in de nieuwe delictsomschrijvingen, maar het wordt ook ingevoegd in de bestaande strafbaarstellingen van milieumisdrijven. Daarnaast voorziet artikel 6 WED straks in een algemene verhoging van het strafmaximum voor milieudelicten ingeval van aanzienlijke schade. De term aanzienlijk wordt op tientallen plaatsen in onze strafwetgeving ingevoegd – zonder dat iemand concreet kan omschrijven wat we eronder moeten verstaan.

De Europeanisering van het milieustrafrecht heeft zo bezien belangrijke schaduwkanten. Het lex certa beginsel raakt uit zicht. Begripsbepalingen uit Europese richtlijnen blinken zelden uit in helderheid. Er wordt gewerkt met containerbegrippen (denk ook aan het begrip afvalstof) waarbij de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid soepel meebewegen met het doel dat de handhaver voor ogen heeft. Er staat geen maat op dit gemoderniseerde milieustrafrecht.