HHet nieuwe regime voor directe lijnen en leidingen: nieuwe mogelijkheden, maar ook een nieuwe belasting

Article
BE Law

Op 4 december 2018 verscheen het decreet ter herziening van de regeling voor directe lijnen en leidingen in het Belgisch Staatsblad.

Nieuw is de meldingsplicht voor de aanleg van directe lijnen en leidingen op eigen site, de versoepeling van de beoordelingscriteria voor directe lijnen en leidingen buiten eigen site en de invoering van een heffing op directe lijnen en leidingen. Deze nieuwe regeling treedt in werking op 1 januari 2019.

Meldingsplicht voor directe lijnen en leidingen op eigen site

Net zoals onder het vorige regime zal de aanleg en het beheer van directe lijnen of leidingen op eigen site principieel toegelaten zijn. 

De ‘eigen site’ wordt daarbij gedefinieerd als ‘het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, opstalhouder of concessiehouder’. Ondanks de op het eerste zicht heldere definitie, bestond en bestaat over de concrete invulling wel wat discussie. Zo worden mede-eigenaars wel als ‘dezelfde persoon’ beschouwd, maar verbonden vennootschappen niet. 

Nieuw is dat voortaan de beheerder van een directe lijn of leiding verplicht is om de ingebruikname en ligging te melden binnen de 30 dagen volgend op deze ingebruikname. De melding dient te worden gericht aan de netbeheerder op wiens net de afnemer van de directe lijn of leiding is aangesloten (of rechtstreeks aan de VREG in geval van eilandwerking). 

De meldingsplicht zou de VREG moeten toelaten om – op eerste verzoek de aangemelde dossiers te ontvangen van de netbeheerder – en te onderzoeken of de eigen site toch niet werd overschreden. De VREG gaf echter al aan dat de effectieve realisatie van dit voornemen hoogst twijfelachtig is, “[…] tenzij de melding bij de netbeheerder gepaard gaat met gegevens over de ligging van het geheel (plan met aanduiding van kadastrale percelen) alsook de rechten op die percelen (eigendom, opstal of concessie) en in wiens handen die rechten zijn. Zonder kennis van die gegevens is er immers geen beoordeling te maken van de ligging van de directe lijn al dan niet op ‘eigen site’”.

Aan het niet naleven van deze meldingsplicht worden geen expliciete gevolgen gekoppeld. Wel zou er in dat geval eventueel sprake kunnen zijn van ‘energiefraude’ in de zin van art. 1.1.3, 40°/1 Energiedecreet. 

Versoepeling van de toelating voor directe lijnen en leidingen buiten eigen site

Ook onder de vorige regeling was de aanleg en het beheer van directe lijnen en leidingen die de grenzen van de eigen site overschrijden, onderworpen aan voorafgaande toestemming van de VREG (op advies van de betrokken distributienetbeheerder). Bij het nemen van zijn beslissing diende de VREG rekening te houden met de de risico's inzake inefficiëntie en veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden.

In het verleden kon zo bijvoorbeeld de aanleg van een directe lijn geweigerd worden, wanneer het publieke distributienet ter hoogte van de beoogde locatie voldoende beschikbare capaciteit had om de betrokken productie-installatie aan te sluiten. Hierdoor was, volgens de VREG, deze extra (directe) lijn helemaal niet nodig en zou de aanleg ervan een inefficiënte benutting van het publieke distributienet met zich meebrengen. Het relatief lage aantal goedkeuringen van directe lijnen die de eigen site overschrijden, leidde de decreetgever ertoe om de beoordelingscriteria te versoepelen.

De vier resterende weigeringssituaties zijn (limitatief):

  • de installaties die achter verschillende toegangspunten liggen, worden met elkaar verbonden; 
  • de veiligheid van het net komt aantoonbaar in het gedrang;
  • de rechten van afnemers worden niet gewaarborgd; 
  • er is niet voldaan aan bijkomende voorwaarden die door de Vlaamse Regering zouden zijn vastgesteld.

Voor wat betreft productie-installaties die reeds vóór 1 januari 2019 zijn aangesloten op het net, maar waarbij de aansluiting zou worden gewijzigd na 1 januari 2019 met het oog op het aanleggen van een directe lijn of leiding, zal de VREG strenger zijn en bijkomend rekening houden met de risico's inzake inefficiëntie en de impact op de distributienettarieven. Het doel van deze nieuwe regeling is immers niet om bestaande installaties te doen afkoppelen van het publieke distributienet. 

De VREG moet een beslissing nemen binnen een termijn van 60 dagen. Volgens de VREG gaat het om een termijn van orde, zodat een redelijke overschrijding ervan mogelijk is, mits motivering.

Nieuwe heffing op directe lijnen buiten eigen site

Voor de elektriciteit die wordt afgenomen via een directe lijn dienen geen nettarieven te worden betaald. Meestal zijn afnemers van directe lijnen ook nog steeds verbonden met het publieke distributienet. Ze behouden in dat geval alle voordelen van een aansluiting op het publieke net, terwijl ze slechts in beperkte mate bijdragen – via de nettarieven – aan de instandhouding en uitbouw ervan. Afnemers van directe lijnen zijn ook niet onderworpen aan de Vlaamse energieheffing. Om deze gevolgen wat te milderen werd tot slot een nieuwe heffing ingevoerd op het beheer van directe lijnen buiten eigen site.

Het decreet bevat geen gelijkaardige heffing voor directe leidingen.

De (jaarlijks te indexeren) heffing is verschuldigd door de beheerder van de directe lijn. Ze wordt berekend op basis van de hoeveelheid stroom die jaarlijks in de directe lijn wordt geïnjecteerd en bedraagt:

  • voor een directe lijn waarbij de afnemer aangesloten is op laagspanning: 53,83 euro/MWh;
  • voor een directe lijn waarbij de afnemer aangesloten is op middenspanning: 5,95 euro/MWh;
  • voor een directe lijn waarbij de afnemer aangesloten is op hoogspanning of in eilandwerking is: 0,36 euro/MWh.

De inkomsten van deze heffing worden rechtstreeks toegewezen aan het Energiefonds.