De proceshouding van de verdachte is geen grond voor strafverzwaring
In dit blog betoogt Daan Doorenbos dat de ontkennende proceshouding van een verdachte geen grond mag zijn voor strafverzwaring.
Een verdachte mag zwijgen. Hij hoeft zichzelf niet te incrimineren. Deze rechten vormen de harde kern van zijn verdedigingspositie. Elke verdachte mag daar naar eigen inzicht gebruik van maken en zijn eigen proceshouding kiezen.
Er zijn verdachten die hun rechten niet uitoefenen en schuldbewust erkennen wat hen wordt verweten. Zij maken het de rechter gemakkelijk. Lastiger zijn verdachten die niets wensen te verklaren en verdachten die de feiten beter of anders voorstellen dan zij in werkelijkheid waren. Verdachten die zwijgen en liegen, simpel gezegd. Dat komt regelmatig voor. Want wie zichzelf niet wil incrimineren, zal op gerichte vragen van opsporingsambtenaren en rechters allicht antwoorden geven die de waarheid op onderdelen geweld aan doen.
Rechters houden hier terdege rekening mee. Een verdachte wordt zelden op zijn woord geloofd en aan verklaringen van zijn kant wordt veelvuldig voorbijgegaan. Het is zelfs mogelijk dat de ontkennende verklaring van een verdachte als kennelijk leugenachtig wordt aangemerkt en dan voor het bewijs wordt gebruikt. Zwijgen en liegen is een verdachte dus niet altijd behulpzaam en is ook niet zonder risico. Maar het is wel zijn goed recht om zich zo op te stellen. Hij zou daar dan ook niet op moeten worden afgerekend.
Vreemd genoeg, gebeurt dat wel. De landelijk vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS) laten dat expliciet toe. Een rechter die tot een bewezenverklaring komt, zal de ontkennende proceshouding van de verdachte kunnen aangrijpen om een zwaardere straf op te leggen. Dan wordt de verdachte nagedragen dat hij ter terechtzitting geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de zaak van Ali B.
Deze praktijk tast de verklaringsvrijheid aan. De verdachte weet dat hij extra straf krijgt indien hij zwijgt of iets verklaart wat de rechter niet gelooft. In zekere zin wordt hij zo gedwongen te verklaren wat de rechter wil horen.
Volgens de Hoge Raad is er geen rechtsregel die de rechter dit verbiedt. Dat moge zo zijn, maar het recht is ook niet altijd in bestaande rechtsregels terug te vinden. Zo lezen we in artikel 6 EVRM niets over een zwijgrecht of het recht zichzelf niet te hoeven incrimineren, terwijl die rechten volgens het EHRM wel de kern van het recht op een eerlijk proces uitmaken. En het is toch volkomen onlogisch om de uitoefening van fundamentele verdedigingsrechten te bestraffen?
Door een bewezenverklaring wordt de ontkennende proceshouding reeds afdoende veroordeeld. De rechter zou zich bij de bestraffing moeten beperken tot het gedrag dat is ten laste gelegd, het gedrag waar de wet straf op stelt en de mentaliteit waarmee de verdachte toen heeft gehandeld. Het gedrag ter zitting – de proceshouding – zou geen onderdeel behoren te vormen van de straftoemeting. De keuze voor die proceshouding is vrij en moet ook vrij zijn. Daar behoort een rechter zich niet achteraf over uit te laten en al helemaal geen straf voor op te leggen.
Uiteraard staat het de rechter vrij om een coöperatieve of berouwvolle opstelling in strafmatigende zin mee te wegen. Dat levert geen spanning op met de uitoefening van verdedigingsrechten. Een ontkennende proceshouding moet echter worden behandeld en afgedaan op het niveau van de bewijsvraag en behoort buiten de straftoemeting te blijven.