Short Reads

De Afdeling herhaalt haar jurisprudentie: bij een 'verdachte' rechtspersoon komt het zwijgrecht in beginsel alleen toe aan de bestuurders van die rechtspersoon

De Afdeling herhaalt haar jurisprudentie: bij een 'verdachte' rechtsp

De Afdeling herhaalt haar jurisprudentie: bij een 'verdachte' rechtspersoon komt het zwijgrecht in beginsel alleen toe aan de bestuurders van die rechtspersoon

08.10.2019 NL law

De uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2801) betreft werknemers van een asbestverwijderingsbedrijf die bezig zijn met werkzaamheden in een pand. Na een melding van het asbestverwijderingsbedrijf zelf, vindt een inspectie plaats. Na een gesprek met de werknemers constateert de inspecteur dat sloopwerkzaamheden worden verricht, terwijl er in het pand asbesthoudende materialen zijn die nog niet zijn verwijderd.

Het bedrijf krijgt om die reden een boete op grond van artikel 4.48a lid 1 Arbobesluit. Aan de boete ligt onder andere een verklaring van de werknemer van het asbestverwijderingsbedrijf ten grondslag.

Bij de Afdeling staat de vraag centraal of de verklaring van een werknemer als bewijs mag dienen. Het asbestverwijderingsbedrijf vindt van niet aangezien de toezichthouder de werknemer niet op zijn zwijgrecht heeft gewezen en daarmee de cautieplicht, neergelegd in artikel 5:10a lid 2 Awb, zou zijn geschonden. De Afdeling kiest echter een lijn die zij in eerdere rechtspraak al heeft uitgestippeld:

"Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115), volgt uit artikel 5:10a van de Awb dat de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd. Verder komt bij boeteoplegging aan een rechtspersoon het zwijgrecht, waarop door een cautie moet worden gewezen, slechts toe aan de bestuurders (zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0746)."

Aangezien de werknemer geen bestuurder is van het asbestverwijderingsbedrijf had de toezichthouder niet de plicht om de cautie aan de werknemer te geven. De verklaring mocht dienen als bewijs

Dilemma voor de werknemers

Naast de constatering dat het zwijgrecht uitgehold kan worden als toezichthouders via werknemers allerlei informatie verkrijgen die zij anders niet zouden hebben gekregen van de werkgever/bestuurder(s), brengt het de werknemers in de praktijk ook voor een lastig dilemma: de werknemer is op grond van artikel 5:20 Awb verplicht om medewerking te verlenen aan de toezichthouder. Hem komt geen beroep op het zwijgrecht toe en het weigeren van medewerking is nota bene strafbaar. Niet meewerken lijkt daarom geen optie. Echter, wel meewerken kan ook ongunstig uitpakken voor de werknemer. Het zal de werknemer immers niet in dank worden afgenomen bij de werkgever als hij belastende verklaringen aflegt over de 'verdachte' rechtspersoon. Arbeidsrechtelijke consequenties zijn voor de werknemer dus niet uit te sluiten.

Zijn er uitzonderingen?

Is het gevolg van deze rechtspraak dat werknemers altijd verplicht zijn om antwoord te geven op vragen van toezichthouders? Het antwoord is nee. In drie situaties komt de werknemer het zwijgrecht namelijk wel toe en zal de toezichthouder de cautie moeten geven:

  1. Indien de werknemer tevens bestuurder is van de verdachte rechtspersoon (dit bleek al uit het voorgaande)
  2. Indien de werknemer persoonlijk risico loopt op een bestraffende sanctie. Dit zal het geval zijn als de werknemer als opdrachtgever of als feitelijk leidinggevende heeft opgetreden bij de overtreding (artikel 5:1 lid 3 Awb)
  3. Indien de wet het zwijgrecht expliciet toekent aan werknemers. Dit is bijvoorbeeld gebeurt in artikel 12i Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Hierin is bepaald dat het zwijgrecht niet alleen toekomt aan bestuurders, maar aan alle voor de marktorganisatie werkzame natuurlijke personen.

Team

Related news

04.05.2021 NL law
Aanbevelingen van het Pbl voor de circulaire economie: meer bestuursrechtelijke verplichtingen voor bedrijven?

Short Reads - Begin dit jaar publiceerde het Planbureau voor de leefomgeving (Pbl) zijn eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage. Die rapportage bespreekt de huidige status van de circulaire economie in Nederland en geeft adviezen om de transitie te versnellen. Het Pbl roept nadrukkelijk de Nederlandse overheid op om de circulaire economie verder te bevorderen. Daarbij ziet het Pbl een belangrijke rol voor nieuwe circulaire verplichtingen voor bedrijven.

Read more

03.05.2021 NL law
De overheid behoeft de besten, maar krijgt zij die nog wel?

Short Reads - ‘De overheid behoeft de besten; zij moet aantrekken en opkweken de bekwaamsten onder de jongeren; haar mensen moeten het in kennis maar ook in levenshouding en beschaving kunnen opnemen tegen de leidende figuren uit de maatschappij; het zou noodlottig zijn voor de publieke zaak, zo de overheid zich tevreden zou stellen met degenen, die elders niet aan de slag konden komen of mislukten.’ (C.H.F. Polak 1957, geciteerd in NJB 2018/1044)

Read more

04.05.2021 NL law
Participatie en privacyregels: hoe te combineren onder de Omgevingswet?

Short Reads - In het stelsel van de Omgevingswet (Ow) is een belangrijke rol bedacht voor participatie bij de totstandkoming van besluiten. Het beoogde resultaat: tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen en daarmee een groter draagvlak en kwalitatief betere besluitvorming bereiken. Door een grotere betrokkenheid van meer personen gaan overheden en initiatiefnemers ook meer persoonsgegevens verwerken. Dit brengt privacyrisico’s met zich mee. Wat regelt de Ow op het gebied van privacy, de verwerking van persoonsgegevens en datagebruik?

Read more

28.04.2021 NL law
Gevolgen van enige betekenis? Bij twijfel is burger belanghebbende

Short Reads - In het bestuursprocesrecht is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks gevolgen ondervindt van een besluit belanghebbende is bij dat besluit. Sinds 2016 past de Afdeling in het omgevingsrecht hierop een correctie toe: er moet sprake zijn van gevolgen van enige betekenis om belanghebbende te zijn. Op 10 maart 2021 heeft de Afdeling bepaald dat bij twijfel over de vraag of hiervan sprake is, de rechtszoekende het voordeel van de twijfel krijgt.

Read more