Articles

Rechtmatige reclame onder de neus van een concurrent kan onrechtmatig worden

Stibbe - Unfair competition and consumer protection - Update sept 2018

Rechtmatige reclame onder de neus van een concurrent kan onrechtmatig worden

26.09.2018 BE law

Op 7 mei 2018 verduidelijkte het Hof van Beroep te Gent[1] opnieuw enkele omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat een uitoefening van de principiële vrijheid van handel en concurrentie toch een onrechtmatige handelspraktijk kan uitmaken. De vrijheid van mededinging impliceert dat men in principe vrij is om o.m. reclame te maken en cliënteel af te werven. Alleen wanneer deze handelspraktijken gepaard gaan met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden, kunnen zij een onrechtmatig karakter krijgen.

De zaak te Gent betrof concurrerende verzekeringsmakelaars. Hoewel de verwerende partijen hun effectieve exploitatiezetel elders hadden, parkeerde zij voortdurend twee bestelwagens en een aanhangwagen met reclame-opdrukken bij de maatschappelijke zetel van één van hen, gelegen vlakbij de zaak van eisende partij. De rechtmatigheid van de reclameboodschap zelf werd niet betwist. De voertuigen waren echter duidelijk zichtbaar vanuit de vertrekken en wachtkamer van de zaak van eisende partij.

Het Hof oordeelde dat deze reclamevoering en (poging tot) afwerving van cliënteel in casu onrechtmatig was door de begeleidende omstandigheden. Zij nam hiervoor volgende elementen in overweging: (i) verwerende partijen maakten niet aannemelijk dat zij de bestelwagens en aanhangwagen nodig hadden op het adres van hun maatschappelijke zetel (deze werden dan ook amper verplaatst); (ii) verwerende partijen maakten evenmin aannemelijk dat de zaak effectief uitgebaat werd op het adres van de maatschappelijke zetel; en tot slot, (iii) de reclame schoot haar normaal doel voorbij aangezien zij enkel zichtbaar was vanuit de ruimtes van de zaak van eisende partij, en niet of nauwelijks vanop de openbare weg. Gelet op deze begeleidende omstandigheden, maakten verwerende partijen zich schuldig aan oneerlijke handelspraktijken in strijd met artikel VI.104 van het Wetboek Economisch Recht.

Voetnoten:
  1. Gent 7 mei 2018, 2017/AR/1413, niet gepubl.

Team

Related news

26.04.2021 BE law
L’appropriation frauduleuse de listes de clients à des fins de détournement de clientèle constitue une pratique commerciale déloyale et une violation du secret d’affaires

Articles - La Cour d’appel de Gand a jugé que l’appropriation frauduleuse de listes de clients ainsi que l’utilisation de celle-ci constituent un détournement illicite de clients ainsi qu’une violation de l’article XI. 332/4 CDE (secret d’affaires).[1]

Read more

26.04.2021 BE law
L'utilisation illégale de secrets d'affaires obtenus de façon illicite conduit à une injonction temporaire de cesser une activité économique spécifique

Articles - Le président du tribunal d’entreprise de Gand a jugé que l'utilisation de secrets d’affaires obtenus de façon illicite, tels que des informations techniques sur les produits, lorsqu’une personne morale ou physique savait ou aurait dû savoir que ces derniers avaient été obtenus de façon illicite, viole l'article XI.332/4 du Code de droit économique (CDE) et est contraire à la concurrence loyale (article VI.104 CDE).

Read more

26.04.2021 BE law
Openbaarmaking en bedrijfsgeheimen, waar ligt de grens?

Articles - De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kortgeding, heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van een geheim productieproces door een ex-werknemer aan een concurrerende onderneming een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt (schending van artikel XI.332 van het Wetboek Economisch Recht).[1] 

Read more

26.04.2021 BE law
Violation d’obligation contractuelle et tierce complicité – le juge des cessations peut établir l’existence d’une rupture de contrat

Articles - La Cour de Cassation a confirmé que même si les infractions liées aux pratiques de marché loyales relèvent de la responsabilité extracontractuelle, le juge des cessations, afin d’établir une éventuelle tierce complicité de la violation contractuelle, est compétent pour se prononcer sur l’existence d’une rupture de contrat à laquelle la société tierce a participé.

Read more