Short Reads

Centrale Raad van Beroep verduidelijkt publieke-taakjurisprudentie ten behoeve van het bestuursorgaanbegrip

Centrale Raad van Beroep verduidelijkt publieke-taakjurisprudentie te

Centrale Raad van Beroep verduidelijkt publieke-taakjurisprudentie ten behoeve van het bestuursorgaanbegrip

13.09.2018 NL law

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) verduidelijkt in een uitspraak van 15 augustus 2018 zijn publieke-taakjurisprudentie over de vraag wanneer een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals een besloten vennootschap, een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit is van belang, omdat op besluiten van een bestuursorgaan de Awb van toepassing is. Zo moet een bestuursorgaan voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is de bestuursrechter de bevoegde rechter om besluiten te toetsen.

Verduidelijking

Deze uitspraak is in het bijzonder van belang omdat de CRvB zich daarin expliciet aansluit bij de grote-kameruitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014 waarin de Afdeling de publieke-taakjurisprudentie met het oog op de afbakening van het bestuursorgaanbegrip in de zin van artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb heeft verduidelijkt. Zie ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3394 (Stichting Platform31) en ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 (Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio). Zie hierover een eerder Stibbe-blogbericht.

Lange tijd was onduidelijk of de CRvB zich bij die grote-kameruitspraken heeft aangesloten. De onduidelijkheid daarover werd vergroot toen de CRvB onlangs in een uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1189) met toepassing van zijn 'oude' Argonout-uitspraak (CRvB 31 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8198) oordeelde dat FMMU Advies BV (FMMU), de opvolgster van Argonaut BV, bij het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb. Een verwijzing naar de grote-kameruitspraken van de Afdeling over de publieke-taakjurisprudentie bleef opmerkelijk genoeg achterwege. Daardoor bleef ongewis of de CRvB zich al dan niet bij die verduidelijkte Afdelingsrechtspraak heeft aangesloten. In de annotaties bij deze uitspraak werd de CRvB opgeroepen de onduidelijkheid hierover weg te nemen (Gst. 2018/105, m.nt. N. Jak; AB 2018/230, m.nt. C.W.C.A. Bruggeman; JB 2018/95, m.nt. J.A.F. Peters). In de uitspraak van 15 augustus 2018 heeft de CRvB helderheid gebracht door de uitspraak van 21 maart 2018 te 'verduidelijken' en uitdrukkelijk aansluiting te zoeken bij de grote-kameruitspraak van de Afdeling van 17 september 2014. Die keuze komt de rechtseenheid ten goede.

Inhoudelijke en financiële vereiste

In navolging van de '17 september 2014' uitspraken van de Afdeling, overweegt de CRvB dat ingevolge artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan is als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich evenwel een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb zijn. Deze uitzondering doet zich voor als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan.

Het eerste vereiste is dat de inhoudelijke criteria voor het verstrekken van geldelijke uitkeringen of voorzieningen in beslissende mate worden bepaald door een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder a Awb (het inhoudelijke vereiste). Het tweede vereiste is dat de verstrekking van deze uitkeringen of voorzieningen in overwegende mate, dat wil zeggen in beginsel voor twee derde of meer, wordt gefinancierd door een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder a Awb (het financiële vereiste).

FMMU Advies BV

In deze uitspraak staat de vraag centraal of FMMU bij het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b Awb. Nu FMMU niet op grond van de wet over openbaar gezag beschikt, rijst de vraag of zij met toepassing van de publieke-taakjurisprudentie als bestuursorgaan kan worden aangemerkt. Daarvoor is dus bepalend of FMMU aan het hiervoor genoemde inhoudelijke en financiële vereiste voldoet.

De CRvB oordeelt dat dat inderdaad het geval is. Wat betreft het inhoudelijke vereiste overweegt de CRvB dat FMMU met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister), de Dienstverleningsovereenkomst tot indicatiestelling van hoog persoonlijk kilometerbudget bovenregionaal vervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking (Dienstverleningsovereenkomst) heeft gesloten, op basis waarvan FMMU met ingang van 1 december 2014 de bevoegdheid heeft om te beslissen op een aanvraag om toekenning van het recht op een hoog pkb. In het als bijlage bij deze dienstverleningsovereenkomst opgenomen en door de minister goedgekeurde Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (Indicatieprotocol), zijn de toekenningscriteria voor een hoog pkb en de wijze van taakuitoefening beschreven. FMMU is op grond van de dienstverleningsovereenkomst gehouden overeenkomstig het Indicatieprotocol te handelen. Wijziging van het Indicatieprotocol zonder toestemming van de minister is niet geoorloofd. In de Dienstverleningsovereenkomst is opgenomen dat de minister FMMU aanwijzingen kan geven met betrekking tot de wijze waarop FMMU aan de boordelingscriteria invulling geeft bij haar onderzoek, welke aanwijzingen de FMMU steeds moet opvolgen.

Over het financiële vereiste overweegt de CRvB dat degene die gebruik maakt van een Valys-pas een financieel voordeel geniet dat geheel ten laste komt van de rijksbegroting. De kosten van de indicering door FMMU komen eveneens ten laste van deze begroting.

Het voorgaande brengt met zich dat FMMU een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. Dat concludeerde de CRvB ook in de uitspraak van 21 maart 2018, die zoals gezegd ook over FMMU ging. Dit betekent dat de verduidelijkte jurisprudentie van de CRvB voor FMMU niet tot een ander oordeel over haar bestuursorgaankarakter heeft geleid.

Team

Related news

14.11.2018 NL law
Het Europese PAS-arrest: een programmatische aanpak is toelaatbaar, maar PAS op!

Short Reads - Op 7 november 2018 heeft het Europese Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak beantwoord over de toelaatbaarheid onder de Habitatrichtlijn van het Programma Aanpak Stikstof. De eerste reacties op dit arrest bevatten twijfels over de houdbaarheid van het PAS: het houden van vee wordt moelijker en PAS-vergunningen kunnen niet worden verleend of moeten worden ingetrokken.

Read more

09.11.2018 BE law
Grondwettelijk Hof: ook verwerpingsarresten van de Raad van State moeten verjaringsstuitende werking hebben

Articles - Bij arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordeelt het Hof dat artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het tot gevolg heeft dat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de verwerpingsarresten, het gelijkheidsbeginsel schendt.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring