Short Reads

Richtlijn oneerlijke handelspraktijken strekt zich uit tot schuldinvorderingsactiviteiten van incassobedrijf

Stibbe - Unfair competition & consumer protection - Update dec 2017

Richtlijn oneerlijke handelspraktijken strekt zich uit tot schuldinvorderingsactiviteiten van incassobedrijf

05.01.2018 BE law

Gelvora UAB is een incassobedrijf dat krachtens een overeenkomst tot cessie schuldvorderingen had verworven[1].

Deze schuldvorderingen betroffen consumenten die schuldenaar waren krachtens consumentenkredietovereenkomsten met een kredietgever. De vraag stelde zich of de invorderingsactiviteiten van Gelvora UAB als ‘handelspraktijken’ in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken kunnen beschouwd worden[2].

Het Hof stelde dat de definitie van ‘handelspraktijken’ in artikel 2 d) van de Richtlijn, en meer bepaald de uitdrukking dat deze handelingen betreffen die ‘rechtstreeks verband houden met de verkoop van een product’ ook maatregelen omvat die “in verband met de uitvoering daarvan worden genomen, met name de maatregelen om de betaling van een product te verkrijgen”. Ook kunnen activiteiten van schuldinvordering – zoals in casu aan de orde – beschouwd worden als een ‘product’ in de zin van artikel 2 c) van de Richtlijn, omdat deze schuldvorderingen hun oorsprong vinden in het verrichten van een dienst, te weten de verlening van een krediet.

De omstandigheid dat de invorderingshandelingen werden verricht door een onderneming die zelf geen diensten in de vorm van consumentenkrediet aan consumenten verleende, en slechts ingevolge een cessie de schuldvorderingen had verworven, doet hieraan geen afbreuk. Dat is o.m. zo omdat indien de richtlijn oneerlijke handelspraktijken buiten spel zou kunnen worden gezet door dergelijke cessie, er afbreuk zou gedaan worden aan het nuttig effect van de bescherming die de richtlijn aan consumenten biedt.

 

[1] Hof van Justitie, arrest van 20 juli 2017, Gelvora C-357/16, EU:C:2017:573.

[2] Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, OJ 2005 L 149/22.

Related news

26.04.2021 BE law
L’appropriation frauduleuse de listes de clients à des fins de détournement de clientèle constitue une pratique commerciale déloyale et une violation du secret d’affaires

Articles - La Cour d’appel de Gand a jugé que l’appropriation frauduleuse de listes de clients ainsi que l’utilisation de celle-ci constituent un détournement illicite de clients ainsi qu’une violation de l’article XI. 332/4 CDE (secret d’affaires).[1]

Read more

26.04.2021 BE law
L'utilisation illégale de secrets d'affaires obtenus de façon illicite conduit à une injonction temporaire de cesser une activité économique spécifique

Articles - Le président du tribunal d’entreprise de Gand a jugé que l'utilisation de secrets d’affaires obtenus de façon illicite, tels que des informations techniques sur les produits, lorsqu’une personne morale ou physique savait ou aurait dû savoir que ces derniers avaient été obtenus de façon illicite, viole l'article XI.332/4 du Code de droit économique (CDE) et est contraire à la concurrence loyale (article VI.104 CDE).

Read more

26.04.2021 BE law
Openbaarmaking en bedrijfsgeheimen, waar ligt de grens?

Articles - De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kortgeding, heeft geoordeeld dat de openbaarmaking van een geheim productieproces door een ex-werknemer aan een concurrerende onderneming een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt (schending van artikel XI.332 van het Wetboek Economisch Recht).[1] 

Read more

26.04.2021 BE law
Violation d’obligation contractuelle et tierce complicité – le juge des cessations peut établir l’existence d’une rupture de contrat

Articles - La Cour de Cassation a confirmé que même si les infractions liées aux pratiques de marché loyales relèvent de la responsabilité extracontractuelle, le juge des cessations, afin d’établir une éventuelle tierce complicité de la violation contractuelle, est compétent pour se prononcer sur l’existence d’une rupture de contrat à laquelle la société tierce a participé.

Read more