Short Reads

Lucky 4 all als verboden piramidesysteem

Stibbe - Unfair competition and consumer protection - Update dec 2017

Lucky 4 all als verboden piramidesysteem

05.01.2018 BE law

Op 28 september 2017 werd de saga omtrent het Lucky4All spel definitief beslecht bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen. De zaak ging over de vraag of het Lucky4All spel een piramidesysteem vormt in de zin van artikel VI.100, 14° van het Wetboek Economisch Recht (‘WER’) (toenmalig artikel 91, 14° WMPC), en derhalve verboden is als oneerlijke handelspraktijk.

Eerder had het hof te Antwerpen op verzoek van de Nationale Loterij bij tussenvonnis[1] alvast geoordeeld dat de belofte van een economisch voordeel aanwezig is bij het Lucky4All spel en dat de verwezenlijking ervan afhangt van de toetreding van nieuwe consumenten tot het spel. Het spel voldoet derhalve al aan minstens twee van de drie voorwaarden om van een piramidesysteem te spreken.

Over de derde en laatste voorwaarde (dat de vergoeding ‘eerder moet voorkomen uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van producten’) werd door het hof een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Deze laatste antwoordde[2] dat hiervoor een indirecte band tussen de door de nieuwe leden verrichte betalingen en de door de bestaande leden ontvangen vergoedingen volstaat.

Het hof van beroep oordeelde vervolgens dat deze indirecte band aanwezig is bij het Lucky4All spel aangezien de uitkering naar de top van de piramide hoofdzakelijk voortkomt uit de winsten van de inzetten van de nieuwe toestromende deelnemers (en derhalve indirect uit hun bijdrage), en niet uit het verbruik van de door die spelers zelf aangekochte lottocombinaties. Deelnemers die later toetreden hebben dan ook principieel recht op minder winsten. De derde voorwaarde van een piramidesysteem is aldus vervuld. Het hof van beroep besloot dat de kenmerken van Lucky4All het spel aldus tot schoolvoorbeeld van een piramidesysteem maken in de zin van bijlage 1 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken[3] en artikel VI.100, 14° WER (i.e. de ‘zwarte lijst’ van oneerlijke handelspraktijken).

Het hof van beroep merkte daarnaast o.m. op dat het spel weldegelijk een handelspraktijk uitmaakt. Een handelspraktijk kan immers ook betrekking hebben op (de bevordering van de verkoop van) andermans producten. Lucky4All beoogt de verkoop van lottoproducten te bevorderen en kwalificeert aldus als een handelspraktijk. Tot slot werd het Lucky4All spel onderscheiden van een toegelaten lottogroepspel waarbij het risico gelijkmatig onder de deelnemers wordt verdeeld.

 

[1] Tussenvonnis van 3 december 2015.

[2] Hof van Justitie, arrest van 15 december 2016, Nationale Loterij C-667/15, EU:C:2016:958.

[3] Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, OJ 2005 L 149/22.

Related news

26.09.2018 BE law
Une publicité licite peut devenir illicite sous le nez d’un concurrent

Articles - Le 7 mai 2018, la Cour d’appel de Gand[1] a de nouveau précisé un certain nombre de circonstances pouvant amener à considérer l’exercice de la liberté du commerce et de la concurrence comme une pratique commerciale illicite. La liberté de concurrence implique en principe la liberté de faire de la publicité et de débaucher une clientèle. Ces pratiques commerciales sont seulement susceptibles de devenir illicites à partir du moment où elles s’accompagnent de circonstances spécifiques et aggravantes.    

Read more

26.09.2018 BE law
Rechtmatige reclame onder de neus van een concurrent kan onrechtmatig worden

Articles - Op 7 mei 2018 verduidelijkte het Hof van Beroep te Gent[1] opnieuw enkele omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat een uitoefening van de principiële vrijheid van handel en concurrentie toch een onrechtmatige handelspraktijk kan uitmaken. De vrijheid van mededinging impliceert dat men in principe vrij is om o.m. reclame te maken en cliënteel af te werven. Alleen wanneer deze handelspraktijken gepaard gaan met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden, kunnen zij een onrechtmatig karakter krijgen.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring