Short Reads

FAQ: Wat is het Brzo en voor wie geldt het Brzo?

FAQ: Wat is het Brzo en voor wie geldt het Brzo?

FAQ: Wat is het Brzo en voor wie geldt het Brzo?

16.02.2018 NL law

Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 ("Brzo") legt aan Brzo-bedrijven verstrekkende en direct werkende verplichtingen op. Voor een bedrijf waarin gevaarlijke stoffen aanwezig (kunnen) zijn, is het daarom van groot belang te kunnen bepalen of het Brzo-regime op zijn inrichting van toepassing is. Als dat het geval is, zal dat bedrijf na moeten gaan welke eisen het Brzo met zich brengt

Introductie Brzo

Naar aanleiding van onder meer een chemische ramp die in 1976 plaatsvond in de Italiaanse stad Seveso, is er in 1982 op Europees niveau een richtlijn inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten ("Seveso I") vastgesteld. Deze richtlijn legde aan bedrijven waarin bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig waren die de in de richtlijn opgenomen drempelwaarden overschreden, verplichtingen op om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. In 1996 werd Seveso I vervangen door richtlijn Seveso II, die in 2012 plaats heeft gemaakt voor de thans geldende Seveso III-richtlijn (2012/18/EU) betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.

Europese richtlijnen dienen omgezet te worden in nationaal recht. Seveso III is in Nederland geïmplementeerd in het Brzo. Daarin zijn bepalingen te vinden die zelfstandig gelezen kunnen worden en bepalingen die voor de invulling ervan verwijzen naar bijlagen bij Seveso III. Voor het voldoen aan het Brzo is raadpleging van Seveso III daarom cruciaal.

Wanneer is er sprake van een Brzo-bedrijf?

Het Brzo is van toepassing op bedrijven die werken met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Seveso III bevat lijsten met stofcategorieën en specifieke stoffen. Bij elke stofcategorie en specifieke stof horen twee drempelwaarden. Wordt de eerste drempelwaarde gehaald, dan is er sprake van een lagedrempelinrichting. Als de tweede drempelwaarde wordt gehaald, dan is er sprake van een hogedrempelinrichting. Dit verschil is van belang voor de verplichtingen die gelden voor de verschillende types inrichtingen, zoals hierna nader toegelicht.

In Seveso III wordt een andere indeling van stoffen en mengsels gehanteerd dan in Seveso II. Seveso III sluit voor de classificatie van gevaarlijke stoffen ("CLP") aan bij de Europese verordening 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde bedrijven die onder Seveso II geen Brzo-bedrijf waren of als lagedrempelinrichting werden aangemerkt, onder Seveso III mogelijk een Brzo-bedrijf of een hogedrempelinrichting zijn geworden.

Bij het bepalen van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen moet niet alleen worden gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige stoffen, maar ook naar de maximaal vergunde stoffen én de gevaarlijke stoffen die kunnen ontstaan tijdens het normale bedrijfsproces of vanwege incidenten.

Voorbeeld van een Brzo-bedrijf

Indien in een bedrijf minimaal 5 ton, maar minder dan 50 ton waterstof wordt opgeslagen of krachtens de vergunning kan worden opgeslagen of gevormd, dan is dat bedrijf op grond van artikel 1, eerste lid, onder b van het Brzo in samenhang met kolom 2 van categorie 15 van deel 2 van bijlage I bij Seveso III een Brzo-lagedrempelinrichting. Is er sprake van (een mogelijkheid tot) aanwezigheid van 50 ton of meer waterstof, dan is het bedrijf een Brzo-hogedrempelinrichting. Waterstof is een met name genoemde stof en staat daarom in deel 2 van bijlage I van Seveso III. Categorieën gevaarlijke stoffen zoals 'ontvlambare vloeistoffen' staan met de drempelwaarden in deel 1 van die bijlage.

Welke eisen stelt het Brzo aan een Brzo-bedrijf?

Op grond van artikel 5, eerste lid, Brzo, dat vrijwel identiek is aan artikel 5, eerste lid, Seveso III, dienen alle Brzo-bedrijven de risico’s te inventariseren en alle maatregelen te treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken (de zogenoemde 'zorgplicht'). Het tweede lid van artikel 5 Brzo bepaalt dat Brzo-bedrijven te allen tijde aan de toezichthouders moeten kunnen aantonen dat zij alle noodzakelijke maatregelen hebben getroffen.

Artikel 6, eerste lid, Brzo schrijft voor dat Brzo-bedrijven het bevoegd gezag een kennisgeving zenden waarin onder andere wordt vermeld:

  • de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van stoffen te identificeren die in de inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;
  • een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig kunnen zijn in de inrichting; en
  • informatie over de onmiddellijke omgeving van de inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken.

Alle Brzo-bedrijven dienen krachtens artikel 7, eerste lid, Brzo een Preventiebeleid voor Zware Ongevallen ("PBZO") op te stellen. Het PBZO bevat de algemene doelen van het handelen van het bedrijf, de beginselen voor het handelen van het bedrijf, de rol en de verantwoordelijkheid van het management en de verbintenis om de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.

Bovenop de voornoemde verplichtingen, geldt voor hogedrempelinrichtingen dat zij krachtens artikel 10, eerste lid, Brzo een veiligheidsrapport ("VR") op moeten stellen en ervoor moeten zorgen dat in de inrichting een VR aanwezig is dat de actuele stand van zaken met betrekking tot de veiligheid van de betrokken inrichting weergeeft. Voor de inhoud van het VR verwijst het Brzo naar bijlage II bij Seveso III. Verder moeten hogedrempelinrichtingen een intern noodplan hebben en een actuele lijst van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen.

Overige bijzonderheden bij het oprichten, veranderen of in werking hebben van een Brzo-bedrijf

Als een bedrijf onder het Brzo-regime valt, dan zal het in ieder geval omgevingsvergunningplichtig zijn voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting. Dit is apart geregeld in bijlage I onderdeel B van het Besluit omgevingsrecht ("Bor"). Zie voor een algemeen overzicht over wanneer een inrichting een omgevingsvergunning voor milieu nodig heeft de FAQ 'Wanneer is een omgevingsvergunning voor milieu nodig?'. Daarnaast zijn gedeputeerde staten van de provincie bij Brzo-bedrijven het bevoegd gezag, in afwijking van de hoofdregel dat burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn (zie artikel 3.3. Bor). De aangewezen 'Brzo-omgevingsdienst' dient de taken, zoals het voorbereiden van een vergunningverleningsbesluit of het toezicht op de handhaving, uit te voeren. Zie voor een nadere toelichting het blog 'Wijziging Besluit omgevingsrecht: wetgevingstraject VTH afgerond'.

Bovenop de eisen die bij een vergunningaanvraag aan alle inrichtingen worden gesteld, stelt de Regeling omgevingsrecht ("Mor") aanvullende eisen aan een vergunningaanvraag voor een hoge- of lagedrempelinrichting in de zin van het Brzo. Deze aanvullende eisen zijn te vinden in artikel 4.13 Mor voor het oprichten van een inrichting en artikel 4.18 Mor voor het veranderen van een inrichting.

Wie zijn de toezichthouders?

Het Brzo wordt door verschillende toezichthouders gehandhaafd, namelijk de betrokken omgevingsdienst, de Inspectie SZW, de betrokken veiligheidsregio en de waterbeheerder. Indien een toezichthouder een overtreding van het Brzo constateert, dan kan daarop bestuursrechtelijk een eis tot naleving, een last onder dwangsom of bestuursdwang, een bestuurlijke boete of (tijdelijke) stillegging van het bedrijf volgen. De bevoegdheden verschillen per toezichthouder.

Samengevatte aandachtspunten

Om te bepalen of een bedrijf onder het Brzo-regime valt, moet het Brzo in samenhang met Seveso III worden bestudeerd. Door in Seveso III aansluiting te zoeken bij de CLP-verordening, kan het zijn dat bepaalde bedrijven voortaan onder het Brzo-regime vallen of als hogedrempelinrichtingen aangemerkt kunnen worden. De Mor stelt extra eisen aan de vergunningaanvraag voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een Brzo-bedrijf. Ook na de vergunningverlening brengt het Brzo veel (extra) verplichtingen met zich mee voor bedrijven die daaronder vallen. Meerdere toezichthouders die over verschillende handhavingsbevoegdheden beschikken, zien erop toe dat Brzo-bedrijven het Brzo naleven.

Team

Related news

27.03.2020 BE law
Bijzondere volmachten in tijden van crisis: wat kan en wat niet?

Short Reads - In haar advies van 25 maart 2020 analyseert de afdeling Wetgeving van de Raad van State het wetsvoorstel van 21 maart 2020 tot bijzondere machtiging aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19. Het advies brengt de algemene beginselen inzake bijzondere machten in herinnering en plaatst daarnaast enkele kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel zelf. Voor liefhebbers van het grondwettelijk recht vormt het advies van de afdeling Wetgeving daarom een welgekomen afleiding in tijden van lockdown. 

Read more

02.03.2020 NL law
Wijziging Algemene wet bestuursrecht op komst: sanctionering medewerkingsplicht door middel van last onder bestuursdwang en dwangsom

Short Reads - In de Tweede Kamer wordt op dit moment het wetsvoorstel behandeld tot wijziging van de Awb en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht. Dit wetsvoorstel voorziet onder meer in een algemene regeling voor de niet-naleving van de medewerkingsplicht in artikel 5:20 lid 3 Awb.

Read more

17.03.2020 NL law
Begunstigingstermijn en dwangsommen bij overmacht door crises

Short Reads - Als de begunstigingstermijn die aan een last onder dwangsom is verbonden voor een overtreder niet haalbaar is, kan het bestuursorgaan de last opheffen, opschorten of verminderen. De huidige crisissituatie in Nederland biedt bestuursorganen ruimte om de looptijd van handhavingsbesluiten op te schorten. In dit bericht zetten wij de mogelijkheden daartoe uiteen en schetsen wij de randvoorwaarden waaraan zo’n opschorting moet voldoen.

Read more

26.02.2020 NL law
De Wet maatschappelijke ondersteuning als proeftuin voor integrale geschilbeslechting in het bestuursrecht

Short Reads - De eerste vraag die bestuursrechtjuristen vaak stellen bij het behandelen van een nieuwe zaak is of de bestuursrechter dan wel de civiele rechter daarnaar moet kijken. Die vraagt leidt in een niet onaanzienlijk aantal gevallen tot lange deliberaties met soms ook nog eens als conclusie dat het antwoord niet duidelijk is. Daarnaast blijkt in sommige zaken dat een geschil deels bij de bestuursrechter en deels bij de civiele rechter thuishoort.

Read more

03.03.2020 NL law
Right to challenge symbolisch verankerd

Short Reads - De regering beoogt het right to challenge (ook wel uitdaagrecht genoemd) symbolisch te verankeren in de Gemeentewet. Het right to challenge betreft een vorm van burgerparticipatie waarbij inwoners van een gemeente of maatschappelijke (private) partijen de gemeente verzoeken om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen. 

Read more

This website uses cookies. Some of these cookies are essential for the technical functioning of our website and you cannot disable these cookies if you want to read our website. We also use functional cookies to ensure the website functions properly and analytical cookies to personalise content and to analyse our traffic. You can either accept or refuse these functional and analytical cookies.

Privacy – en cookieverklaring