Articles

Wat is een "plan of programma" in de zin van de plan-MER-richtlijn? De rechtsgrond van een vergunning

What is a

Wat is een "plan of programma" in de zin van de plan-MER-richtlijn? De rechtsgrond van een vergunning

05.04.2018

Voor het Jaarboek 2017 TeRecht van uitgeverij Larcier gaan Guan Schaiko en Stefanie François dieper in op het begrip "plannen en programma's" in de zin van de plan-MER-richtlijn.

[Engelstalige en Franstalige versie]

Zij onderzoeken op systematische wijze de voorbereidende werkzaamheden van de plan-MER-richtlijn, om vervolgens de rechtspraak van het Hof van Justitie te onderwerpen aan een kritische analyse. Uit hun onderzoek blijkt onder meer dat het begrip "plan of programma" in de zin van de plan-MER-richtlijn moet worden begrepen als de "rechtsgrond" van een vergunning.

Rechtsonzekerheid begrip “plannen en programma’s”

Zoals Olivier di Giacomo en Renaud Smal in hun eerdere blogs al aantoonden, bestaat er grote rechtsonzekerheid over het begrip plannen en programma’s in de zin van de plan-MER-richtlijn.

Voor het Jaarboek 2017 TeRecht van uitgeverij Larcier hebben Guan Schaiko en Stefanie François dat begrip onderworpen aan een diepgaande analyse. Daarbij onderzochten zij op systematische wijze de voorbereidende werkzaamheden van de plan-MER-richtlijn. Hun onderzoek bevat enkele belangrijke conclusies.

Doelstelling van de richtlijn

De invoering van de plan-MER-richtlijn diende, zo blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden, een dubbele doelstelling: (i) de integratie van de milieueffecten in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces met betrekking tot de vergunningverlening voor projecten en (ii) het bieden van meer zekerheid aan de initiatiefnemers van een dergelijk project.

Resultaten onderzoek

De rechtsonzekerheid die bestaat rond het begrip “plannen en programma’s” is niet enkel te wijten aan de onzorgvuldige redactie van de plan-MER-richtlijn door de Europese wetgever. Ook de soms incoherente uitlegging door het Hof van Justitie draagt daartoe bij. Daarbij durft het Hof ook wel eens tegen de bewoordingen van de plan-MER-richtlijn en de wil van de Europese wetgever in te gaan:

  • volgens het Hof vallen ook facultatieve plannen en programma’s onder de plan-MER-richtlijn, terwijl het artikel 2, a) ervan uitdrukkelijk stelt dat het moet gaan om plannen en programma’s die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn “voorgeschreven” (FR: “exigés”, EN: “required” ). Dit wordt ook bevestigd in de voorbereidende werkzaamheden. Bovendien dient het al dan niet verplicht karakter van de kwestieuze overheidsbeslissing te worden beoordeeld in het licht van het oogmerk dat met de overheidsbeslissing wordt gediend, met name het mogelijk maken (en niet louter reguleren) van toekomstige vergunningverlening. De voorwaarde van artikel 2, a) plan-MER-richtlijn heeft dus betrekking op de vraag of de kwestieuze overheidshandeling noodzakelijk is voor de aflevering van een vergunning;
     
  • het belangrijkste criterium dat het Hof thans hanteert om uit te maken of een overheidsbeslissing al dan niet als plan of programma in de zin van de plan-MER-richtlijn kwalificeert, is de vraag of die overheidsbeslissing al dan niet significante milieueffecten kan hebben. Deze evolutie in de rechtspraak doet afbreuk aan de systematiek die is neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de plan-MER-richtlijn;
     
  • enkel overheidsbeslissingen die voldoen aan de specifieke formele voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 2, a) plan-MER-richtlijn kwalificeren als plan of programma in de zin van die richtlijn. De exacte formulering van deze formele voorwaarden is doorheen het parlementair proces een paar keer gewijzigd, maar de essentie bleef steeds dezelfde: het moet gaan om overheidshandelingen (volgens de bewoordingen van de richtlijn: “plannen en programma’s”) die:
    • via een formele procedure (volgens de bewoordingen van de richtlijn “die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld”);
    • verplicht moeten worden aangenomen (volgens de bewoordingen van de richtlijn “die door wettelijke of bestuurlijke maatregelen zijn voorgeschreven”);
    • met het oogmerk een kader te scheppen voor toekomstige vergunningen voor projecten (volgens de bewoordingen van de richtlijn: “die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen”). Deze vereiste werd in de finale versie van de richtlijn evenwel niet weerhouden in de “definitie” van artikel 2, a) plan-MER-richtlijn, maar toegevoegd aan artikel 3, leden 2, a) en 4 die betrekking hebben op de draagwijdte van de plan-MER-plicht.

Uit deze formele voorwaarden blijkt duidelijk wat de Europese wetgever voor ogen had bij de redactie van de richtlijn: de notie “plan of programma” verwijst naar de “rechtsgrond” van een vergunning, d.i. de bepalingen van intern recht die de vergunningverlenende overheid machtigen om de vergunning af te leveren. Of, om het in de woorden van de Europese wetgever te stellen: “die welke door een bevoegde instantie moeten worden vastgesteld of die welke bij wet worden vastgesteld met het oog op het opzetten van het kader voor toekomstige besluiten inzake het verlenen van een vergunning”. Het gaat daarbij niet om elk wettelijk of reglementair kader waarmee het vergunningverlenend bestuur bij de beoordeling van vergunningsaanvragen rekening te houden heeft, maar slechts om die overheidshandelingen die noodzakelijk zijn om de vergunningverlening mogelijk te maken, d.i. de rechtsgrond van de vergunning.

Besluit

Uit het gevoerde onderzoek blijkt aldus dat de bedoeling van de Europese wetgever in de rechtspraak van het Hof van Justitie onderbelicht blijft. Wij hopen dat het gevoerde onderzoek de rechtspraktizijn, academici en het Hof ertoe mag aanzetten om meer aandacht te besteden aan de eigenlijke bedoeling van de Europese wetgever en uitdrukkelijke bewoordingen van de plan-MER-richtlijn in plaats van de loutere teleologische interpretatie van de plan-MER-richtlijn.

Team

Related news

10.08.2020 NL law
Geelgroen huis in Den Helder in ernstige mate in strijd met de redelijke eisen van welstand

Short Reads - In de gemeentelijke welstandsnota staan criteria waaraan het uiterlijk van bestaande en nieuw te bouwen woningen dienen te voldoen: de redelijke eisen van welstand. Voor bestaande woningen geldt dat zij niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met deze eisen. Welstandsexcessen zijn met andere woorden uitgesloten. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 was de vraag aan de orde of een geelgroen geverfde woning in Den Helder terecht als een dergelijk welstandsexces is aangemerkt.

Read more

10.08.2020 NL law
Het NOW register: openbaarmaking van gegevens van ontvangers van de NOW-subsidie

Short Reads - Het UWV heeft op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een register gepubliceerd met informatie over werkgevers die de NOW-1 subsidie hebben ontvangen. De publicatie van dit register komt niet geheel als een verrassing. De NOW-1 bevat immers een bijzondere bepaling over openbaarmaking van de desbetreffende gegevens.

Read more

05.08.2020 NL law
ACM is verplicht om het besluit waarin zij afziet tot oplegging van een boete te publiceren

Short Reads - De Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Instellingswet ACM) verplicht de ACM om een besluit waarbij een ernstige overtreding (zoals overtreding van het kartelverbod) is geconstateerd, maar waarbij is afgezien van het opleggen van een boete toch openbaar te maken. Een dergelijk besluit beschouwt het CBb als een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie in de zin van artikel 12v van de Instellingswet ACM. Dat oordeelt het CBb in haar uitspraak van 18 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:92).

Read more

27.07.2020 NL law
Maatwerk bij ontvankelijkheidsbeslissingen

Short Reads - Kent u een termijn die de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep bepaalt en niet in de wet is te vinden? Je zou hopen dat zo’n termijn niet bestaat. Ontvankelijkheid bepaalt immers de toegang tot de rechter en die toegang moet niet belemmerd worden door onbekende of slecht kenbare fatale termijnen. Toch kent ons recht zo’n termijn en die termijn is bovendien zeer kort. Ik doel op de twee weken die een belanghebbende wordt gegund om alsnog bezwaar te maken, nadat hij op de hoogte is geraakt van het bestaan van een besluit waarvan de bezwaartermijn al is verstreken.

Read more