Short Reads

“Class action” (vordering tot collectief herstel) voor sjoemelsoftware ontvankelijk en keuze voor opt-out systeem

Stibbe - Unfair competition and consumer protection - Update apr 2018

“Class action” (vordering tot collectief herstel) voor sjoemelsoftware ontvankelijk en keuze voor opt-out systeem

17.04.2018 BE law

Bij vonnis van 18 december 2017 verklaarde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel de rechtsvordering tot collectief herstel op grond van boek XVII van het Wetboek Economisch Recht (‘WER’) betreffende sjoemelsoftware voor bepaalde voertuigen ontvankelijk[1] (de ‘Groepsvordering’).

De Rechtbank koos hierbij voor het opt-out systeem. Via deze vordering beoogt Test Aankoop een schadevergoeding te bekomen voor elke consument die na 1 september 2014 (i.e. de datum van inwerkingtreding van de Wet van 28 maart 2014[2] die de rechtsvordering tot collectief rechtsherstel invoerde (hierna de ‘Wet’)) van de Volkswagen-groep en D’Ieteren de eigendom heeft verkregen van een voertuig dat ogenschijnlijk voldeed aan de emissienormen terwijl dit niet het geval zou zijn geweest (via de zogenaamde ‘sjoemelsoftware’).

1. Werking van de Wet in de tijd: datum aankoop voertuig

De rechtbank bevestigde vooreerst dat de datum van aankoop van het voertuig in kwestie bepalend is voor het toepassingsgebied ratione temporis van de Wet. De aankoop doet in hoofde van de producent en de verkoper verplichtingen ontstaan ten opzichte van de consument, waarvan in casu de schending wordt aangevoerd. De productiedatum van het voertuig is dan ook irrelevant. De rechtbank stelt in dit verband dat het feit dat de oorzaak gemeenschappelijk moet zijn niet betekent dat er sprake moet zijn van gelijktijdige aankopen. Het volstaat dat het gaat om dezelfde feiten die ten overstaan van de individuele consumenten op verschillende tijdstippen zijn voltrokken.

2. Ontvankelijkheid van de groepsvordering

Het vonnis geeft verder enkele interessante verduidelijkingen voor wat betreft de drie ontvankelijkheidsvereisten voor groepsvorderingen, zoals vooropgesteld door artikel XVII.36 WER.

1° de ingeroepen oorzaak betreft een mogelijke inbreuk door de onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de Europese verordeningen of de wetten bedoeld in artikel XVII. 37 of op een van hun uitvoeringsbesluiten;[3]

Het doel van de eerste ontvankelijkheidsvereiste is om na te gaan of de vordering onder het materieel toepassingsgebied van de Wet valt en aldus een van de limitatief opgesomde normen betreft, alsmede of de vordering niet kennelijk ongegrond is (cfr. ‘mogelijke’ inbreuk). De ontvankelijkheidsfase heeft dan ook een filterfunctie. Hiervoor is niet vereist dat de inbreuk prima facie gegrond is. De rechter moet louter nagaan of het opportuun is om de procedure (die noodgedwongen een bemiddelingsfase omvat[4]) op te starten. De wetgever heeft er immers voor gekozen de bemiddelingsfase verplicht te maken vóór het onderzoek naar de grond van de zaak.

In casu werd vooreerst de aanwezigheid van de sjoemelsoftware door de betrokken producenten enkel erkend met betrekking tot de EA189 motor. Test Aankoop maakte niet aannemelijk dat deze eveneens aanwezig zou zijn in andere motoren. De vordering is dan ook enkel ontvankelijk voor zover zij voertuigen met een EA189-motor betreft.

Wat het materiële toepassingsgebied betreft, stelt de rechtbank dat het volstaat indien eisende partij in redelijkheid voldoende elementen aanbrengt die, indien zij correct zijn, een mogelijke schending van een in artikel XVII.36, 1° WER genoemde norm kunnen inhouden. Dit is volgens de rechtbank het geval zowel voor de beweerde inbreuken op Boek VI WER “Marktpraktijken en consumentenbescherming”[5], als voor de schending van een contractuele plicht, in casu de vrijwaringsplicht voor verborgen gebreken opgenomen in artikel 1641 Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Dit laatste is evident voor wat betreft de rechtstreekse verkoopovereenkomsten, maar geldt eveneens voor de geviseerde producenten of verkopers die slechts een eerdere schakel in de verkoopketen uitmaken (en aldus niet rechtstreeks contractueel verbonden zijn met de consument), aangezien er nog steeds sprake is van een contractuele verplichting van de oorspronkelijke verkoper ten aanzien van de verdere verkopers in de keten. De tekst spreekt immers niet van een contractuele ‘band’, maar enkel van een mogelijke inbreuk op een contractuele ‘verplichting’.

2° de rechtsvordering wordt ingesteld door een verzoeker die voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel XVII. 39 en door de rechter geschikt wordt bevonden;[6]

Twee factoren zouden de geschiktheid van Test Aankoop om op te treden als groepsvertegenwoordiger in deze zaak in vraag trekken: haar representativiteit en het financieel belang dat zij bij de vordering heeft.

De rechtbank stelt dat, gelet op het feit dat Test Aankoop de enige aangemelde groepsvertegenwoordiger is, en zij reeds bij aanvang actief optreedt in de zaak, zij als voldoende representatief kan beschouwd worden. In huidige zaak zou de representativiteit dan ook niet afhangen van het aantal geaffecteerde consumenten die zich reeds bij Test Aankoop gemeld hebben.

Verder werd er door verweerders opgeworpen dat Test Aankoop haar eigen financiële belangen zou vooropstellen. Deze argumentatie is hoofdzakelijk gebaseerd op het feit dat Test Aankoop de vordering gebruikt om aan ledenwerving te doen. Om aan de juridische actie deel te nemen, wordt immers gevraagd zich aan te melden bij Test Aankoop (niet: zich lid te maken), en een privacybepaling te aanvaarden, op basis waarvan men zijn gegevens opneemt in de Test Aankoop databank. Test Aankoop maakt niet duidelijk dat de consument zich (onder een opt-in systeem) ook nog na de ontvankelijkheidsfase kan melden, ditmaal zonder zich aan te melden bij Test Aankoop, aangezien dit verplicht wordt gesteld in de wet. Hoewel zulk gebrek aan informatie bekritiseerbaar is, oordeelde de rechtbank dat dit haar geschiktheid als groepsvertegenwoordiger niet ondermijnt. Kortom, er werd niet aangetoond dat Test Aankoop in het kader van deze groepsvordering haar financiële belangen boven deze van de consumenten zou plaatsen. Zij werd dan ook als geschikte groepsvertegenwoordiger beschouwd.

3° het beroep op een rechtsvordering tot collectief herstel lijkt meer doelmatig dan een rechtsvordering van gemeen recht.[7]

Deze ontvankelijkheidsvereiste vraagt een vergelijking tussen de groepsvordering en de beschikbare gemeenrechtelijke procedures, hetgeen een afweging van verschillende factoren vergt (complexiteit, kostprijs, duur, potentiële omvang van de groep, …). Hiervoor moet rekening gehouden worden met de veelheid aan individuele procedures die zich in plaats van de groepsvordering zouden ontplooien. De rechtbank maakte o.m. volgende interessante overwegingen om te besluiten dat de groepsvordering aan deze voorwaard voldoet:

  • Enerzijds wijst het feit dat er gewag wordt gemaakt van 179.616 voertuigen erop dat het aannemelijk is dat er een groot deel van de betrokken consumenten nog genoegdoening zoekt. Anderzijds is echter te verwachten dat een groot deel hiervan na een kosten-baten analyse zou afzien van een individuele procedure.
     
  • Verder mag de individuele verscheidenheid van de problemen veroorzaakt door het voorwerp van de rechtsvordering de gemeenschappelijke problemen niet overheersen. In casu zijn de juridische vragen steeds gelijkaardig, ondanks de (beperkte) verschillen tussen de potentiële schadelijders. Relevant is bovendien dat Test Aankoop enkel een schadevergoeding vraagt (geen teruggave of andere individueel nader te bepalen maatregelen). Daarnaast wordt het oneerlijke karakter van een handelspraktijk beoordeeld vanuit het standpunt van de gemiddelde consument, waardoor ook hier geen individuele problemen uit kunnen voortkomen. Overigens is niet vereist dat iedere consument dezelfde schade heeft geleden. Men kan immers met verdeelsleutels werken. Dat de gevorderde bedragen per consument niet gering zouden zijn, doet evenmin afbreuk aan de doelmatigheid van een groepsvordering.
     

Gelet op de gelijkaardige juridische vragen, zou een groepsvordering tot slot het risico op tegenstrijdigheid verminderen en de rechtszekerheid bevorderen.

3. Opt-out of opt-in systeem

De rechbank dient te kiezen voor het opt-out[8] of het opt-in[9] systeem. Hiervoor dient men in de eerste plaats na te gaan hoe het belang van de consument in casu het best wordt beschermd. Belangrijk is de vraag of de consument zich bewust is van de fout en schade die hij lijdt en of een vergoeding van deze schade voor de hand ligt. Is dit niet het geval, zal zijn apathie groter zijn, en verdient hij meer bescherming. In casu had de fout geen zichtbare schadegevolgen voor de consument. Externe initiatieven (bv. media-aandacht) om ruchtbaarheid aan de zaak te geven zijn niet doorslaggevend. Verder gaat het in casu om een groot aantal potentiële schadelijders (er zijn immers 179.616 geaffecteerde voertuigen verkocht). Deze twee factoren deden de rechtbank ertoe besluiten om te kiezen voor het opt-out systeem.

4. (Voorlopig?) Vervolg

Het keuzerecht van de schadelijders wordt op twee maand na publicatie in het Belgische Staatsblad bepaald. De partijen in het geding krijgen tot zes maand na het verstrijken van voorgaande termijn om een akkoord te onderhandelen.

 

Voetnoten:

  1. Kh. Brussel, 18 december 2017, 2016/2706/A, niet gepubliceerd.
  2. Wet van 28 maart 2014 tot invoeging van titel 2 "Rechtsvordering tot collectief herstel" in boek XVII "Bijzondere rechts procedures" van het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van economisch recht, BS 29 april 2014.
  3. Eigen onderlijning.
  4. Zie artikels XVII.45 WER e.v.
  5. Test Aankoop voert de schending aan van de artikelen VI.97 (onjuiste of misleidende informatie), VI.99 (weglaten van essentiële informatie), VI.100, 2° (onterecht aanbrengen van een label), VI.100, 4° (onterecht voorhouden van goedkeuring) en VI.100, 9° WER (voorhouden dat een product legaal is).
  6. Eigen onderlijning.
  7. Eigen onderlijning.
  8. Men gaat er van uit dat elke schadelijdende consument deel uitmaakt van de groep, tenzij hij – na publicatie – te kennen geeft dat hij dit niet wenst.
  9. De consument moet – na publicatie – actief opteren voor opname in de groep.

Team

Related news

10.04.2019 BE law
Acrylamide: zijn frieten ook juridisch schadelijk voor de gezondheid?

Articles - De risico’s door de aanwezigheid van acrylamide in levensmiddelen noopten de EU tot het nemen van risicobeperkende maatregelen. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven van bepaalde levensmiddelen (o.a. frieten, chips, koekjes, …) kregen de verplichting om tal van maatregelen te nemen.  De juridische kwalificatie van acrylamide en het regime van deze maatregelen worden in deze blog toegelicht.

Read more

11.04.2019 NL law
Double roles in attributing knowledge

Short Reads - The knowledge of a person who in fact runs a company can be attributed to the company if the sole director and shareholder is a 'straw man', the Supreme Court confirmed in a judgment of 29 March 2019. The rules by the Supreme Court are not revolutionary or even new. But circumstances essential for the attribution of knowledge are ignored. The double role played by the 'man in charge' raises questions about how to apply the rules as identified by the Supreme Court to the facts

Read more

04.04.2019 NL law
European Court of Justice: actio pauliana is covered by jurisdiction rule of forum of contract. A judgment with foreseeable consequences?

Short Reads - Imagine that a debtor voluntarily concludes a transaction with a third party where he knows (or should know) that it hinders the creditor's possibilities of collecting the debt. In civil law countries, a creditor can invoke the nullification of that legal act by means of a so-called actio pauliana. This raises the question of which court has jurisdiction in the case of an international dispute, regarding an actio pauliana, that is instituted by a creditor against a third party?

Read more

10.04.2019 NL law
Damage due to a defective driveway and the Dutch twenty year limitation period: When does limitation start in case of a continuous event that causes damage?

Short Reads - On 22 March 2019, the Dutch Supreme Court ruled (ECLI:NL:HR:2019:412) that the strict liability for buildings (opstalaansprakelijkheid) is not linked to a specific damaging act but to a damaging condition, as referred to in section 6:174 DCC. Therefore, there is no reason to regard a damaging act as an 'event that caused damage' as referred to in section 3:310 DCC concerning the limitation period for claims for damages.

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring