Short Reads

Gezamenlijke draagkracht: financiële situatie moederonderneming mag worden betrokken bij bepalen financiële draagkracht beboete dochteronderneming

Financiële situatie moederbedrijf bepaalt draagkracht beboete dochter

Gezamenlijke draagkracht: financiële situatie moederonderneming mag worden betrokken bij bepalen financiële draagkracht beboete dochteronderneming

20.09.2016 NL law

Uit een voor de boetepraktijk belangrijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de financiële situatie van een moederonderneming betrokken kan worden bij de bepaling van de draagkracht van haar dochteronderneming die is beboet. Daarvoor is wel vereist dat de moeder en dochter feitelijk als één entiteit zijn te beschouwen.

Wanneer de gezamenlijke draagkracht voldoende is om de boete te kunnen betalen, is er geen ruimte voor matiging van de boete wegens de beperkte financiële draagkracht van de beboete dochteronderneming.

Achtergrond bij de zaak

De minister van SZW (minister) had aan een dochteronderneming boetes voor een bedrag van € 90.000 opgelegd wegens diverse overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Stibbe - Uitspraak afdeling (1)

De dochteronderneming betoogt dat zij er financieel slecht voor staat, reden waarom de hoogte van de boetes volgens haar in strijd met het evenredigheidsbeginsel is vastgesteld. De minister is van mening dat de boetes niet te hoog zijn, omdat de moederonderneming kapitaalkrachtig genoeg is om de liquiditeit van de dochteronderneming te versterken. De rechtbank stelde de dochteronderneming aanvankelijk in het gelijk en matigt de boetes met 50%, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) draait de matiging terug.

Uitspraak Afdeling

De Afdeling oordeelt dat in dit geval de financiële situatie van de moederonderneming betrokken kan worden bij de bepaling van de draagkracht van haar dochteronderneming die is beboet voor overtredingen van de Wav. De reden daarvoor is dat de Afdeling tot de conclusie komt dat moeder en dochter feitelijk als één entiteit zijn te beschouwen. Dat leidt de Afdeling af uit de volgende omstandigheden:

  • het moederbedrijf is enig aandeelhouder en bestuurder van de dochteronderneming;
  • het moederbedrijf heeft zelf geen werkzame personen in dienst;
  • de activiteiten van het moederbedrijf zijn in het Handelsregister omschreven als “holding, stamrecht- en pensioen B.V.”;
  • tussen de moeder- en dochteronderneming bestaat een rekening- courant verhouding.

Aangezien uit de stukken blijkt dat de gezamenlijke draagkracht van moeder en dochter voldoende is om de boetes die aan de dochter zijn opgelegd te betalen, draait de Afdeling de door de rechtbank toegepaste matiging terug. De boetes van € 90.000 die aan de dochteronderneming zijn opgelegd, blijven daarom in stand.

Stibbe - Uitspraak afdeling (2)

Gevolg van deze uitspraak voor de praktijk

Beboete dochterondernemingen dienen er rekening mee te houden dat een beroep op beperkte draagkracht niet zal slagen wanneer hun moeder de boete wel kan betalen of daaraan een financiële bijdrage kan leveren. Voorwaarde is wel dat de moeder en dochter als één entiteit zijn aan te merken. De dochter zal dan argumenten moeten aandragen dat geen sprake is van één entiteit. Denk daarbij aan de omstandigheid dat er tussen de moeder en dochter geen rekening-courant verhouding bestaat, de moeder eigen medewerkers in dienst heeft en zij niet de enig aandeelhouder is van de dochter.

Vervolgvragen

De uitspraak roept een groot aantal vragen op. Wij volstaan met de volgende twee. In de eerste plaats vragen wij ons bijvoorbeeld af of moeder- en dochteronderneming door middel van een contractueel beding waarin zij uitsluiten dat de moederonderneming direct noch indirect zal bijdragen aan de betaling van eventueel aan de dochteronderneming opgelegde boetes kunnen voorkomen dat de moeder dient bij te dragen aan de aan de dochter opgelegde boetes. Hierbij plaatsen wij alvast de kanttekening dat de rechter mogelijk door zo’n constructie zal heen prikken. Helemaal in de situatie dat sprake is van misbruik en de dochter slechts als stroman fungeert. In de tweede plaats vragen wij ons af of het bestuursorgaan de boetes bij de moeder kan invorderen indien de moeder besluit financieel niet bij te dragen en de boete daardoor (deels) onbetaald blijft. De dochteronderneming is de overtreder en de schuldenaar indien de boete niet of deels wordt betaald. De moeder is niet de overtreder en daarmee naar ons idee niet aan te merken als schuldenaar. Invordering door het bestuursorgaan van de boete bij de moeder lijkt ons daarom niet mogelijk.

Meer informatie?

Lees de nadere analyse van deze uitspraak in het tijdschrift AB. 

Team

Related news

12.03.2019 LU law
Entry into force of the RBE Regulation and update

Articles - The Grand-Ducal Regulation of 15 February 2019 on the registration, payment of administrative fees and access to information recorded in the register of beneficial owners (the “RBE Regulation”) entered into force on 1 March 2019 and depicts the practical aspects of the Law of 13 January 2019 establishing a beneficial owner register (the “RBE Law”). Another document, the LBR Circular 19/01 (the “Circular”) issued by the Luxembourg Business Registers on 25 February 2019  further describes the new register of beneficial owners (the “RBE”) with the aim of helping users. 

Read more

11.03.2019 NL law
De Wnra: van rechtspositieregeling naar collectieve arbeidsovereenkomst

Short Reads - Naar verwachting treedt op 1 januari 2020 de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking. De Wnra zorgt er kort samengevat voor dat een belangrijk deel van de huidige ambtenaren dezelfde rechtspositie krijgt als 'gewone' werknemers. Deze ambtenaren zullen niet langer werkzaam zijn op basis van een ambtelijke aanstelling, maar op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit brengt een aantal belangrijke veranderingen met zich.

Read more

15.03.2019 NL law
Interesse van een raadslid in een woning binnen nieuw vast te stellen bestemmingsplan levert op zichzelf geen verboden vooringenomenheid op

Short Reads - Het bevoegde bestuursorgaan binnen een gemeente voor de vaststelling van een bestemmingsplan is de gemeenteraad. Deze vaststelling dient op grond van de Algemene wet bestuursrecht ("Awb") zonder vooringenomenheid plaats te vinden. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de "Afdeling") van 6 maart 2019 volgt dat van vooringenomenheid in principe geen sprake is als een raadslid interesse heeft getoond in een woning uit een project dat wordt mede mogelijk gemaakt door het vastgestelde bestemmingsplan. Bijkomende omstandigheden zijn vereist.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring