Short Reads

Bijna duidelijkheid over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in zuiver nationale situaties

Bijna duidelijkheid over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in zuiver nationale situaties

Bijna duidelijkheid over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in zuiver nationale situaties

31.08.2015 NL law

Eerder schreef ik op Stibbeblog over de discussies die er worden gevoerd over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in Nederland en de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover heeft gesteld. In juli is de conclusie van de Advocaat-Generaal verschenen. Hoewel het Hof van Justitie van de Europese Unie het advies van de A-G niet hoeft over te nemen, geeft zo’n conclusie vaak wel een indicatie van het naderende arrest. Daarom zullen hieronder de belangrijkste twee punten uit de conclusie worden weergegeven.

 

Is de Dienstenrichtlijn ook van toepassing op zuiver nationale situaties?

De Europese Unie heeft onder meer als doel om het handelsverkeer tussen verschillende lidstaten voor ondernemers te vergemakkelijken met bijvoorbeeld een vrijheid van vestiging. De Dienstenrichtlijn bevat voor o.a. de vrijheid van vestiging van dienstverrichters een aantal verplichtingen van lidstaten die betrekking hebben op vergunningstelsels. Zo bepaalt artikel 10 van de Dienstenrichtlijn dat vergunningstelsels gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang, duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, transparant en toegankelijk moeten zijn. De Dienstenrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Dienstenwet.

De vraag die nog niet duidelijk is beantwoord, is of een Nederlandse onderneming met succes kan betogen dat een bestuursorgaan in Nederland de Dienstenrichtlijn heeft geschonden. Is de bescherming van de Dienstenrichtlijn beperkt tot situaties waarbij meerdere lidstaten zijn betrokken of geldt deze ook voor zuiver interne situaties?

In de zaak waar de Afdeling prejudiciële vragen over heeft gesteld, had een Nederlandse ondernemer een aanvraag om een exploitatievergunning ingediend bij de gemeente Amsterdam om met een open sloep rondvaart en partyverhuur door de grachten aan te bieden. Er is daarmee sprake van een Nederlander die een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een exploitatievergunning in Nederland om zijn diensten in Nederland te kunnen verrichten. In potentie kan het vergunningstelsel ook exploitanten uit andere lidstaten raken, maar in dit geschil hadden partijen uit andere lidstaten niet daadwerkelijk belangstelling geuit. Wel kan de Nederlandse aanvrager op zijn sloep burgers uit andere lidstaten van de Europese Unie vervoeren. De Afdeling wil weten of in zo’n situatie getoetst moet worden aan de Dienstenrichtlijn.

In de conclusie benadrukt de A-G allereerst het belang van de door de Afdeling gestelde vragen. Gezien het feit dat de Dienstenrichtlijn van vrij recente datum is en de kwestie van de reikwijdte van de richtlijn uiterst omstreden is, is het volgens de A-G van belang dat het Hof van Justitie antwoord geeft op de gestelde vragen.

Volgens de A-G zou hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn ook op zuiver interne situaties van toepassing moeten zijn. Daarvoor geeft hij vijf argumenten, waaronder dat hij steun vindt voor zijn standpunt in:

  1. het handboek van de Europese Commissie.
    Volgens dat handboek valt onder het hoofdstuk inzake vestiging zowel de situatie waarin een dienstverrichter zich in een andere lidstaat wil vestigen, als de situatie waarin een dienstverrichter zich in zijn eigen lidstaat wil vestigen.
  2. een letterlijke en systematische uitlegging van de bepalingen van de richtlijn.
    Artikel 2, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is „op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd”. Er wordt helemaal niet verwezen naar een grensoverschrijdende activiteit. De bepalingen van hoofdstuk III van de richtlijn en met name artikel 9, lid 1, daarvan, verwijzen evenmin naar een grensoverschrijdende activiteit – in tegenstelling tot hoofdstuk IV van de richtlijn en met name artikel 16, lid 1, daarvan.
  3. de wetgevingsprocedure die aan de vaststelling van de richtlijn is voorafgegaan.
    Daarin zijn door het Europees Parlement verschillende voorstellen gedaan voor herformulering van artikel 2, lid 1, van de Dienstenrichtlijn, neerkomend op beperking van die bepaling tot grensoverschrijdende situaties. Geen van deze amendementen werd aangenomen, wat erop wijst dat hoofdstuk III van de richtlijn ook van toepassing is in interne situaties.

De A-G stelt daarom voor dat het Hof van Justitie de vragen over de reikwijdte van de richtlijn aldus beantwoord, dat de bepalingen van hoofdstuk III van richtlijn 2006/123 van toepassing zijn op situaties als in de hoofdgedingen ongeacht of alle factoren verband houden met één enkele lidstaat.

Ik ben het eens met de A-G. Ook omdat het mijns inziens toch moeilijk verdedigbaar is dat de Nederlandse ondernemer in dit geval minder rechtsbescherming zou verdienen dan een ondernemer uit een andere lidstaat die dezelfde vergunning zou aanvragen. Het is nu nog afwachten op het arrest van het Hof van Justitie.

Wanneer moeten vergunningen voor (on)bepaalde tijd verleend worden?

Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn mag een aan een dienstverrichter verleende vergunning géén beperkte geldigheidsduur hebben, tenzij het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang. De Afdeling stelde ook over dit artikel een prejudiciële vraag. De Afdeling wil weten of op grond van de Dienstenrichtlijn bestuursorganen nog beschikken over beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de vergunning. De A-G is over deze vraag kort: “Het antwoord is ‘nee’.”

Interessant is dat de A-G aangeeft welke stappen de rechter (en daarmee ook een bestuursorgaan bij de besluitvorming moet nemen als het aantal beschikbare vergunningen wordt beperkt. De nationale rechter zal namelijk eerst moeten vaststellen of een toereikend aantal vergunningen wordt verleend. Is dat aantal bijvoorbeeld te laag, dan gaat het niet om een evenredige maatregel.

Wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat een vergunningstelsel in beginsel gerechtvaardigd is, dan moet de vergunningsduur beperkt zijn. Dit volgt uit artikel 11 van de richtlijn. De A-G ziet geen enkele ruimte voor een beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten bij de toepassing van dat artikel. Elke andere uitlegging zou voorbijgaan aan het doel van artikel 11, te weten de toegang van dienstverrichters tot de betrokken markt waarborgen.

Ook met dit advies van de A-G ben ik het eens. Vergunningverlening voor onbepaalde tijd sluit uit dat derden in de toekomst ooit nog een vergunning kunnen krijgen. Dit heeft onevenredige gevolgen voor deze derden. De vergunningsduur zal moeten worden beperkt tot de periode waarin een vergunninghouder redelijkerwijs verwacht mag worden de investeringen die hij heeft gemaakt voor de exploitatie van de diensten, samen met een rendement op geïnvesteerd vermogen terug te verdienen. Een langere periode doet echter te veel afbreuk aan de belangen van derden.

Kortom: volgens de A-G moet, op het moment dat een bestuursorgaan het aantal beschikbare vergunningen op grond van een dwingende reden van algemeen belang beperkt, elke afzonderlijke vergunning een beperkte geldigheidsduur hebben. Dit uitgangspunt is niet in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terug te vinden, maar wel in artikel 33 van de Dienstenwet en in de Dienstenrichtlijn.

Slotsom

Het is nog even afwachten of het Hof van Justitie het advies van de A-G zal volgen. Als dat het geval is dan zal het arrest zonder twijfel gevolgen hebben voor Nederland. Vanaf dat moment kunnen alle dienstverrichters ook in zuiver interne situaties een beroep doen op de rechten die zijn opgenomen in de Dienstenwet en –richtlijn. Eén van deze rechten is dat vergunningen voor onbepaalde tijd moeten worden verleend, tenzij sprake is van een schaarse vergunning. Schaarse vergunningen moeten juist altijd voor bepaalde tijd worden verleend.

Related news

30.04.2019 EU law
Climate goals and energy targets: legal perspectives

Seminar - On Tuesday April 30th, Stibbe organizes a seminar on climate goals and energy targets. Climate change has incited different international and supranational institutions to issue climate goals and renewable energy targets. Both the UN and the EU have led this movement with various legal instruments.

Read more

10.04.2019 NL law
Casus Lotto c.s.: Aanpassing naam vergunninghouder bij nieuwe rechtsvorm? Let op de eisen van het Unierecht!

Short Reads - De Kansspelautoriteit kan de tenaamstelling van vergunningen voor onder andere Lotto en de Staatsloterij niet zomaar wijzigen als de rechtsvorm van de vergunninghouders verandert. Dit gezien het door het Unierecht gewaarborgde vrije verkeer van diensten en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. Dat blijkt uit een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("ABRvS") van 13 maart 2019. Wat betekenen deze uitspraken voor de praktijk?

Read more

10.04.2019 NL law
Gevolgen van de Wnra: schorsing voortaan met behoud van loon en de wettelijke verhoging van loonvorderingen

Short Reads - Vanaf het moment dat ambtenaren werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, worden ook de civielrechtelijke bepalingen ten aanzien van deze overeenkomst van toepassing. Het gevolg is dat de overheidswerkgever en zijn werknemers te maken krijgen met fenomenen die zich in het ambtenarenrecht niet voordoen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de mogelijkheid van schorsing zonder behoud van loon, de termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt op (ten onrechte niet betaald) loon en de wettelijke verhoging van loonvorderingen.

Read more

12.04.2019 NL law
Hoogste Europese rechter bevestigt dat overheden onrechtmatige staatssteun proactief moeten terugvorderen

Short Reads - De maand maart 2019 zal vermoedelijk de juridisch handboeken ingaan als een historische maand voor het mededingings- en staatssteunrecht. Niet alleen deed het Hof van Justitie een baanbrekende uitspraak op het gebied van het verhaal van kartelschade. Het heeft in de uitspraak Eesti Pagar (C-349/17) van 5 maart 2019 belangrijke vragen opgehelderd over de handhaving van het staatssteunrecht op nationaal niveau.

Read more

10.04.2019 BE law
Acrylamide: zijn frieten ook juridisch schadelijk voor de gezondheid?

Articles - De risico’s door de aanwezigheid van acrylamide in levensmiddelen noopten de EU tot het nemen van risicobeperkende maatregelen. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven van bepaalde levensmiddelen (o.a. frieten, chips, koekjes, …) kregen de verplichting om tal van maatregelen te nemen.  De juridische kwalificatie van acrylamide en het regime van deze maatregelen worden in deze blog toegelicht.

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring