Articles

De omzetting van de Richtlijn Industriële Emissies in het Vlaamse Gewest via de VLAREM 2012-trein: nieuwe concepten en verplichtingen

De omzetting van de Richtlijn Industriële Emissies in het Vlaamse Gewest via de VLAREM 2012-trein: nieuwe concepten en verplichtingen

De omzetting van de Richtlijn Industriële Emissies in het Vlaamse Gewest via de VLAREM 2012-trein: nieuwe concepten en verplichtingen

11.09.2013 BE law

Het besluit van de Vlaamse Regering ter omzetting van de richtlijn 2010/75/EU (de “richtlijn Industriële Emissies” of “RIE”) werd gisteren gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad1.

Also available in English.

Het Vlaamse gewest is het tweede gewest dat de RIE omzet2. Het Waalse gewest zette de RIE reeds in februari 2013 om via vier besluiten van de Waalse Regering3. Deze omzetting werd verder vormgegeven door een Besluit van 4 juli 2013 van de Waalse Regering4. Het Brussels hoofdstedelijk gewest heeft vooralsnog nagelaten om de RIE om te zetten.

Nederland finaliseert momenteel haar omzetting van de RIE. Voor meer informatie omtrent de omzetting van de RIE in Nederland, verwijzen wij naar de desbetreffende nieuwsbrief van Stibbe Amsterdam. Tot slot geven wij ook nog mee dat ook de omzetting van de RIE in Frankrijk nagenoeg finaal is5.

De RIE betreft in grote mate een herneming van zeven oude Europese richtlijnen, maar introduceert ook verschillende nieuwe concepten. Deze nieuwsbrief biedt een eerste overzicht van de meest opmerkelijke veranderingen die voor exploitanten van industriële activiteiten van belang zijn.

1. De RIE of richtlijn industriële emissies (2010/75/EU)

De goedkeuring van de RIE door de Europese Unie op 24 november 2010 betreft in grote mate een herneming van verscheidene bestaande Europese Richtlijnen:

 

 

 

 

 

 

-       IPPC-richtlijn 6; 
-       Richtlijn Grote Stookinstallaties 7; 
-       Richtlijn Afvalverbranding 8
-       VOS/Oplosmiddelen Richtlijn 9; en 

-       drie Richtlijnen voor de titaniumdioxide-industrie 10

De RIE biedt een algemeen regulerend kader voor de lidstaten bij het vaststellen van de nationale regelgeving met het oog op een geïntegreerde preventie en eliminatie van verontreiniging, veroorzaakt door bepaalde industriële activiteiten. Behalve een herneming van de bestaande richtlijnen en de daarin vervatte verplichtingen, introduceert de RIE ook enkele nieuwe concepten en verplichtingen. De RIE houdt wel vast aan dezelfde aanpak zoals voorzien in de IPPC-Richtlijn, met name een geïntegreerde bescherming van het milieu als één geheel veeleer dan het nemen van verschillende afzonderlijke initiatieven met betrekking tot één bepaalde milieucomponent. In vergelijking met de IPPC-richtlijn, versterkt de RIE deze geïntegreerde aanpak nog.

2. De omzetting van de RIE in het Vlaamse Gewest

De eerste stap in het Vlaamse omzettingsproces van de RIE vond plaats op 25 mei 2012. Het Vlaamse Parlement introduceerde toen enkele wijzigingen aan de drie bestaande Vlaamse decreten betreffende de milieuvergunning, de algemene bepalingen houdende milieubeleid (het “DABM”) en het Bodemdecreet 11. Dankzij deze wijzigingen werden de basiscontouren van het beleid inzake industriële emissies vastgelegd binnen de bestaande regelgeving. Zij hadden evenwel nog geen directe gevolgen voor industriële exploitanten. De tweede stap betrof de goedkeuring van het besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen (“VLAREM 2012-trein”). 

Op 7 juni 2013 introduceerde de Vlaamse regering aldus wijzigingen aan de volgende besluiten: 

-       het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (“VLAREM I”);

 

 

 

-       het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (“VLAREM II”);
-       het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (“VLAREBO”). 

Met de publicatie van de VLAREM 2012-trein in het Belgisch Staatsblad, is de omzetting van de RIE in het Vlaamse gewest een feit. Voor het merendeel van de bepalingen van de VLAREM 2012-trein wordt een precieze inwerkingtredingsdatum op 20 september 2013 voorzien. Er bestaan evenwel enkele uitzonderingen en regelingen van uitgestelde inwerkingtreding voor, onder andere, bestaande grote stookinstallaties.

3. Belangrijkste nieuwe concepten voor industriële exploitanten

3.1          De draagwijdte van industriële activiteiten wordt drastisch uitgebreid 

-       Wat zegt de RIE? 

Het toepassingsgebied van de RIE wordt aanzienlijk uitgebreid door het hanteren van lagere drempels. Het toepassingsgebied van de RIE strekt zich uit tot alle industriële activiteiten vermeld in Bijlage 1. Die bijlage verwijst naar energie-industrieën, productie en verwerking van metalen, minerale industrie, chemische industrie, afvalbeheer en andere activiteiten (bijv. de uitbating van slachthuizen), en bepaalde activiteiten en installaties die organische stoffen gebruiken. Aangezien de RIE een aantal bestaande richtlijnen vervangt, is de RIE ook van toepassing op de installaties die reeds onder het toepassingsgebied van die richtlijnen vielen. Het gaat daarbij voornamelijk om grote stookinstallaties, afval en afvalmeeverbrandingsinstallaties (elk vermogen), en titaniumdioxide-producerende installaties. In vergelijking met de oude IPPC-Richtlijn, is de draagwijdte van de IPPC-activiteiten verruimd. Ook de volgende activiteiten en installaties vallen nu onder het toepassingsgebied van de RIE: stookinstallaties met een vermogen lager dan 50 MW; de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor gevaarlijke stoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; de conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken; etc. 

-       Nieuwe regels in VLAREM I 

De ruimere draagwijdte van de RIE werd uitdrukkelijk overgenomen in de VLAREM 2012-trein. De VLAREM 2012-trein voorziet de herneming van alle categorieën van industriële activiteiten, zoals vermeld in bijlage 1 bij de RIE, in bijlage 1 bij VLAREM I. 

3.2          De Best Beschikbare Technieken (BBT) 

-       Wat zegt de RIE?

Zoals eerder aangegeven, is een geïntegreerde aanpak ten aanzien van alle milieucomponenten essentieel teneinde de industriële emissies te verminderen. De toepassing van de Best Beschikbare Technieken (“BBT”) is het belangrijkste hulpmiddel binnen deze geïntegreerde benadering. Dit verklaart waarom de BBT een centrale plaats innemen binnen de RIE. Het werd noodzakelijk geacht om de notie van de BBT te verduidelijken teneinde de rol van de BBT binnen de vergunningsprocedure te versterken. Dit had voor gevolg dat drie nieuwe definities werden aangenomen voor de volgende begrippen: “Best Beschikbare Technieken” (BBT) 12; “BBT- referentiedocument 13” en “BBT-conclusies 14”. 

Overeenkomstig de RIE vormen de BBT niet enkel de basis bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden, maar ook bij het vaststellen van andere vergunningsvoorwaarden (artikel 14.3 van de RIE). De Europese Unie wenst echter verder te gaan in haar strijd om industriële emissies te voorkomen en te beperken. Zo voorziet artikel 14 (4) van de RIE dat lidstaten regels kunnen uitvaardigen die de bevoegde overheid in de mogelijkheid stellen om strengere vergunningsvoorwaarden op te leggen dan dewelke die mogelijk zijn overeenkomstig de BBT. 

Principieel geldt dat de lidstaten geen emissiegrenswaarden mogen toestaan die de waarden, mogelijk overeenkomstig de BBT, overschrijden. Echter, de artikelen 15 (4) en (5) van de RIE voorzien dat de bevoegde overheden van de lidstaten van dit principe mogen afwijken in specifieke gevallen (artikel 15 (4) van de RIE) en voor het beproeven en het gebruik van opkomende technieken (artikel 15 (5) van de RIE). 

-       Nieuwe Regels in VLAREM I 

Het toegenomen belang van de BBT binnen de Vlaamse vergunningsprocedure wordt weerspiegeld door verscheidene aanpassingen aan VLAREM I. Zo kan verwezen worden naar het nieuwe artikel 30bis, §6 VLAREM I. 

Overeenkomstig dit artikel gelden de BBT als de referentie voor de vergunningverlenende overheid bij het vaststellen van bijzondere vergunningsvoorwaarden. Het criterium van de BBT wordt aldus een bindende standaard binnen de vergunningsprocedure 15. Het nieuwe artikel 30bis, §7 VLAREM I laat de Vlaamse vergunningverlenende overheden toe om bijzondere en strengere vergunningsvoorwaarden op te leggen dan deze die overeenkomstig de BBT mogelijk zijn. Die vergunningsvoorwaarden moeten dan geïnspireerd zijn door de nood om de mens en het leefmilieu te beschermen, maar kunnen ook worden opgelegd uit noodzaak (bijv. wanneer specifieke lokale omstandigheden een hoger niveau van milieubescherming vereisen). 

A fwijkingen van het algemeen principe dat BBT de ultieme referentie vormen bij het vaststellen van vergunningsvoorwaarden zijn mogelijk. Zo kan worden verwezen naar artikel 30bis, §10 VLAREM I dat de vergunningverlenende overheden toelaat om emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat waarden, perioden en referentieomstandigheden betreft, verschillen van deze die vermeld staan in de BBT-conclusies. De vergunningverlenende overheid kan ook een tijdelijke vrijstelling toestaan van voormeld principe voor het beproeven of het gebruik van opkomende technieken. 

3.3          Strengere emissiegrenswaarden 

-       Wat zegt de RIE? 

De RIE voorziet strengere emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties en titaniumdioxide-producerende installaties. Voor de volgende stoffen worden emissiegrenswaarden vastgesteld: CO,NOx, VOC, SO2, PM10, dioxines en furanen, TOC, HCL, HF, NO, NO2, Cd, TI, Hg, Sb, As, Pb, Cr, CO, Cu, Mn, Ni, V en Zn. Hoewel de lidstaten algemeen verplicht zijn om de RIE ten laatste op 7 januari 2013 om te zetten in de nationale wetten, regelgeving en bestuursrechtelijke bepalingen 16, wijkt artikel 82 van de RIE hiervan af en voorziet met betrekking tot de nieuwe emissiegrenswaarden in twee meer geleidelijke omzettingsregelingen: 1° wat de installaties betreft die welbepaalde activiteiten verrichten 17 en die in bedrijf zijn en een vergunning hebben vóór 7 januari 2013 of die een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend voor die datum, mits die installaties uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik worden genomen, passen de lidstaten slechts vanaf 7 januari 2014 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe (met uitzondering van hoofdstuk III 18 en bijlage V 19 van de RIE); 2° wat de installaties betreft die niet onder het toepassingsgebied vallen van voormelde overgangsregeling 20, passen de lidstaten vanaf 7 juli 2015 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe (met uitzondering van de hoofdstukken III en IV 21 en de bijlagen V en VI 22 of the IED) van de RIE; 3° wat de in artikel 30 (2) van de RIE bedoelde stookinstallaties betreft 23, passen de lidstaten vanaf 1 januari 2016 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld teneinde te voldoen aan hoofdstuk III en bijlage V. 

-       Nieuwe regels in VLAREM II 

De emissiegrenswaarden (de eigenlijke waarden) werden zonder verandering overgenomen. Het oorspronkelijke ontwerp van de VLAREM 2012-trein voorzag in een retroactieve inwerkingtreding van het besluit. De Vlaamse Regering rechtvaardigde deze retroactieve inwerkintreding door te verwijzen naar verscheidene andere Europese richtlijnen waarvan de omzettingstermijn al lang verstreken was. De Afdeling Wetgeving van de Raad van State verzette zich uitdrukkelijk tegen deze retroactieve inwerkingtreding. Immers, de VLAREM 2012-trein beoogt de omzetting van verscheidene nieuwe (en strenge) verplichtingen (bijv. emissiegrenswaarden die tweemaal zo streng zijn als de huidige normen). Een retroactieve inwerkingtreding zou in het licht van deze vaststelling strijden met het principe van rechtszekerheid en vanvoorzienbaarheid van de regelgeving. In haar huidige vorm voorziet de VLAREM 2012-trein niet langer in een retroactieve inwerkingtreding. 

De hierin vervatte bepalingen treden bijgevolg in werking nadat de VLAREM 2012-trein is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De VLAREM 2012-trein voorziet enkel in een afwijkende regeling van inwerkingtreding op volgend punten: 

- enerzijds, is er een algemene afwijking voor exploitanten die een volledige milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de VLAREM 2012-trein en voor de installaties (uitgezonderd de BKG-installaties 24) die op het moment van de inwerkingtreding reeds in bedrijf waren, maar die ingevolge deze inwerkingtreding onder een nieuwe of gewijzigde rubriek van bijlage I van VLAREM I vallen, voor zover deze inrichting reeds vergunningsplichtig was op basis van de indelingslijst die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van dit besluit;

- anderzijds, is er een bijzondere afwijking voor installaties die onder het toepassingsgebied vallen van artikel 238 van de VLAREM 2012-trein25 en voor de GPBV-installaties, andere dan dewelke vermeld in artikel 238, die in bedrijf zijn en een milieuvergunning hebben gekregen vóór 7 januari 2013 of die een volledige aanvraag voor een milieuvergunning hebben ingediend voor die datum, als die installaties uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik worden genomen.

3.4          Situatierapport 

-       Wat zegt de RIE? 

De RIE overweegt dat de opmaak van een situatierapport essentieel is “om ervoor te zorgen dat door de exploitatie van een installatie de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet verslechtert” (Overweging 24 van de RIE). Deze verplichting is helemaal nieuw. Ook de voorgangers van de RIE legden geen dergelijke verplichting op. Dit situatierapport (beter bekend als “baseline report”) stelt de nul-situatie vast. Zij betreft een praktisch hulpmiddel dat, waar mogelijk, moet toelaten om een gekwantificeerde vergelijking te maken van de toestand van de bodem zoals beschreven in het situatierapport, enerzijds, en de toestand van de bodem op het moment van definitieve stopzetting van de activiteiten, anderzijds. Deze gekwantificeerde vergelijking heeft tot doel na te gaan of de verontreiniging van de bodem en het grondwater aanzienlijk is toegenomen. Om die reden dient het situatierapport gebruik te maken van de bestaande data betreffende bodem- en grondwatermetingenalsmede van historische gegevens betreffende het vroegere gebruik van de site (Overweging (24) van de RIE).  Overeenkomstig artikel 22 van de RIE, ontstaat deze verplichting vooraleer de exploitatie een aanvang neemt of  – in geval de inrichting reeds in bedrijf is op het moment dat de regelgeving ter omzetting van de RIE in werking treedt – vooraleer een vergunning van een bestaande inrichting voor de eerste keer wordt bijgesteld na 7 januari 2013 (“voorafgaandelijke plicht”), en, tot slot, op het moment van de definitieve stopzetting van de activiteiten. 

Deze voorafgaandelijke plicht is enkel van toepassing op inrichtingen waarvan de activiteiten gepaard gaan met het gebruik, de productie of de uitstoot van welbepaalde gevaarlijke stoffen. Begrijpelijkerwijs vereisen dergelijke activiteiten een grotere voorzichtigheid. In geval uit het situatierapport, dat werd opgemaakt ter gelegenheid van de definitieve stopzetting van de activiteiten, blijkt dat de inrichting een aanzienlijke verontreiniging van de bodem en het grondwater heeft veroorzaakt ten opzichte van de situatie, zoals vastgesteld ter uitvoering van de voorafgaandelijke plicht, is de exploitant verplicht om de noodzakelijke maatregelen te treffen opdat de bodem en/of het grondwater hersteld worden in haar oorspronkelijke staat. Om die oorspronkelijke staat te kennen, kan naar het initiële situatierapport worden verwezen. De RIE stelt bovendien dat, wanneer een verontreiniging wordt vastgesteld die een aanzienlijk risico vormt voor de gezondheid van de mens evenals voor het milieu, de exploitant de noodzakelijke maatregelen moet treffen voor de verwijdering, beheersing, inperking of vermindering van relevante gevaarlijke stoffen, zodat dit risico wordt geneutraliseerd. 

-       Nieuwe regels in VLAREBO 

-           De bestaande regels inzake bodem en grondwater samengevat 

De Vlaamse regelgeving betreffende bodem en grondwater legt reeds sinds 1995 verscheidene verplichtingen inzake bodem en grondwater op aan de exploitanten van zgn. risico-inrichtingen, i.e., inrichtingen en activiteiten die worden geëxploiteerd op een zgn. risicogrond 26. Het Vlaamse Bodemdecreet van 27 oktober 2006 voorziet o.m. in specifieke verplichtingen die moeten worden nageleefd bij de overdracht van een risicogrond 27. Een overdracht van risicogrond vereist de opmaak van een oriënterend bodemonderzoek (“OBO”) en, indien nodig, de opmaak van een beschrijvend bodemonderzoek (“BBO”), dat mogelijks wordt gevolgd door de opmaak van een bodemsaneringsproject. 

Daarenboven moeten bepaalde exploitanten van risico-inrichtingen een OBO opmaken op periodieke basis. Deze periodieke onderzoekplicht kan voor gevolg hebben dat er ook een bodemsaneringsplicht ontstaat. Het Bodemdecreet verplicht de exploitant van een risico-inrichting (of de gebruiker of de eigenaar) om, onder welbepaalde voorwaarden 28, over te gaan tot bodemsanering van de grond waarop de verontreiniging is ontstaan, tenzij hij in aanmerking komt voor een vrijstelling. Exploitanten van een risico-inrichting moeten de definitieve stopzetting van hun risico-activiteiten melden aan de OVAM. Deze melding moet vergezeld worden van een OBO. Afhankelijk van de resultaten van het OBO, kan de OVAM de exploitant verplichten om een BBO op te maken en, mogelijks, om een bodemsaneringsproject op te stellen.                 

-              Nieuwe regeling: het situatierapport 

De omzetting van de in de RIE vervatte verplichting om een situatierapport op te maken leidde tot de introductie van een nieuwe bodemonderzoeksplicht in de Vlaamse regelgeving inzake bodem en grondwater (nieuw artikel 33bis van het Bodemdecreet). Enkel de exploitanten van de limitatief aangeduide risico-inrichtingen zijn verplicht om een situatierapport op te stellen. Het gaat hier om de risico-inrichtingen die in kolom 8 van bijlage 1 bij VLAREM 1 worden aangeduid met de letter S. Een exploitant kan zich niet beroepen op de vrijstellingen die worden voorzien in de artikelen 64-67 29 van het VLAREBO indien een situatierapport moet worden opgemaakt dat de nul-situatie van de bodem vaststelt. Het is onmogelijk om de nul-situatie te bepalen ten aanzien van inrichtingen die reeds in bedrijf zijn op het moment dat de VLAREM 2012-trein in werking treedt. Dit betekent evenwel niet dat deze inrichtingen worden vrijgesteld van de verplichting om een situatierapport op te maken. In dit geval voorziet artikel 33bis, §1 van het Bodemdecreet dat een situatierapport dient te worden opgemaakt vóór 7 januari 2014 (en, in sommige gevallen, vóór 7 juli 215). Deze aanpak verschilt van hetgeenbepaald wordt in de RIE. 

Immers, de RIE voorziet dat een situatierapport moet worden opgemaakt vooraleer de vergunning van een inrichting voor de eerste keer wordt bijgesteld na 7 januari 2013. De Vlaamse milieuregelgeving voorzag tot op heden niet in dergelijke periodieke heroverweging en herziening van de vergunningsvoorwaarden door de vergunningverlenende overheid. Daar komt echter verandering in via de omgevingsvergunning die binnenkort haar intrede maakt in de Vlaamse milieuregelgeving. Het idee van een periodiek onderzoek van de vergunningsvoorwaarde(n) werd alvast vertaald in het voorontwerp van decreet betreffende de omgevingsvergunning. Het situatierapport dient dan ook te worden aanzien als een begeleidende maatregel bij de uitvoering van de omgevingsvergunningsprocedure. 

4. De omzetting van de richtlijn in Nederland: Een verschillende benadering?

De cruciale rol van de BBT binnen de vergunningsprocedure, zoals voorgestaan door de RIE, wordt ook in de regelgeving van Nederland bevestigd. In tegenstelling tot Vlaanderen, kent Nederland wel al het systeem van de omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning is permanent, maar moet af en toe worden bijgesteld en herzien. De omzetting van de RIE heeft onder meer volgende wijzigingen aan de Nederlandse Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (“Wabo”) voor gevolg:

- de publicatie van BBT-conclusies moet worden beschouwd als “ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu ”. Deze BBT-conclusies moeten worden betrokken bij de actualisering van de vergunning; 

- bij de actualisatie van een vergunning, kan de vergunningverlenende overheid voorschriften vaststellen met betrekking tot de toepassing van andere technieken dan dewelke waarvoor een vergunning werd aangevraagd. 

Zulks heeft tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid kan afwijken van de inhoud van de vergunningsaanvraag. 


Voetnoten


 
  1. Belgisch Staatsblad,http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/welcome.pl 
  2. Milieubescherming is in België niet langer een federale aangelegenheid. Het zijn de gewesten die voor deze materie bevoegd zijn. In gevolge hiervan moeten alle Europese Richtlijnen betreffende de milieubescherming door de gewesten worden omgezet. 
  3. Besluit van de Waalse regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties; besluit van de Waalse regering van 21 februari 2013 tot wijziging van het besluit van de Waalse regering van 18 juli 2002 betreffende de sectorale voorwaarden voor installaties en/of activiteiten die oplosmiddelen verbruiken; besluit van de Waalse regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor de installaties die titaandioxide produceren; besluit van de Waalse regering van 21 februari 2013 tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor stookinstallaties. 
  4. Besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2013 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 13 december 2007 tot invoering van de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens, het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2002 houdende sectorale voorwaarden voor de installaties en/of activiteiten die oplosmiddelen verbruiken en het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. 
  5. De meest recente omzetting van de RIE is het besluit n° 2013-374 van 2 mei 2013 betreffende de omzetting van hoofdstuk II van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies. Ook andere lidstaten hebben de RIE reeds omgezet in hun interne regelgeving. Doch, overeenkomstig de informatie van de Europese Commissie, zijn er 7 lidstaten die momenteel nog geen omzettingsmaatregelen hebben getroffen (zie http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:72010L0075:EN:NOT). 
  6. Richtlijn 2008/01/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging.
  7. Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties. 
  8. Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval.
  9. Richtlijn van de Raad 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzakede beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties. 
  10. Richtlijn van de Raad 78/176/EEG van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxide-industrie; richtlijn van de Raad 82/883/EEG van 3 december 1982 betreffende het toezicht op en de controle van lozingen van de titaandioxide-industrie; richtlijn van de Raad 92/112/EEG 15 december 1992 tot vaststelling van de procedures voor de harmonisering van de programma’s tot vermindering en uiteindelijk algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie. 
  11. Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingeninzake milieubeleid; decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. 
  12. Best Beschikbare Technieken “het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken” (artikel 3 (10) RIE). 
  13. BBT-referentiedocument “een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 georganiseerde uitwisseling van informatie, dat is opgesteld voor welomschreven activiteiten en met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van beste beschikbare technieken, alsmede BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de in bijlage III vermelde criteria” (artikel 3 (11) RIE). Voor een overzicht van de BBT-referentiedocumenten die werden opgemaakt in het kader van de RIE, kan u terecht op de volgende site: http://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference/
  14. BBT-conclusies “een document bestaande uit die delen vaneen BBT-referentiedocument met de conclusies over beste beschikbare technieken, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen” (artikel 3(12) RIE). 
  15. Voor het Vlaamse gewest is momenteel reeds een nieuwe wijziging van de VLAREM-regelgeving in de maak. Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit (dat later in 2013 wordt verwacht) voorziet o.a. de invoering van nieuwe BBT-conclusies die de BBT voor de productie van metaal en staal evenals de BBT voor de glasproducerende industrie vertalen. De eerste principiële goedkeuring van dit wijzigingsbesluit staat gepland voor oktober 2013. 
  16. Zie artikel 80 van de RIE.
  17. Deze activiteiten betreffen de activiteiten vermeld in bijlage I, punt 1.1. verbranding van gassen in installaties met een nominaal thermisch vermogen dat 50 MW overschrijdt; punt 1.2, punt 1.3, punt 1.4(a), punt 2.1 tot en met punt 2.6, punt 3.1 tot en met 3.5, punt 4.4 tot en met 4.6 voor activiteiten betreffende chemische productie door chemische verwerking, punt 5.1 tot en met 5.2 voor wat de activiteiten betreft die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2008/1/EG betreft, punt 5.3 (a)(i) en (ii), punt 5.4, punt 6.1(a) en (b), punt 6.1(a) en (b), punten 6.2 en 6.3, punt 6.4(a), punt 6.4(a), punt 6.4(b) voor wat de activiteiten betreft die onder het toepassingsgebied van richtlijn 2008/1/EC betreft, punt 6.4(c) en punt 6.5 tot en met 6.9. 
  18. Hoofdstuk III bevat bijzondere voorschriften voor stookinstallaties. 
  19. Bijlage V bevat technische voorschriften voor stookinstallaties en verwijst o.a. naar de emissiegrenswaarden voor stookinstallaties. 
  20. Deze bepaling is bijgevolg van toepassing op installaties die activiteiten verrichten als vermeld in bijlage I, punt 1.1 voor activiteiten met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW, punt 1.4(b), punten 4.1 tot en met 4.6 voor activiteiten betreffende productie door biologische verwerking, punten 5.1 tot en met 5.2 voor activiteiten die niet onder Richtlijn 2008/1/EG vallen, punt 5.3(a)(iii) tot en met (v), punt 5.3(b), punten 5.5 tot en met 5.6, punt 6.1(c), punt 6.4(b) voor activiteiten niet vallend onder Richtlijn 2008/1/EG en punten 6.10 en 6.11 die in bedrijf waren voor 7 januari 2013. 
  21. Hoofdstuk IV bevat bijzonder voorschriften voor afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties. 
  22. Bijlage VI bevat technische voorschriften voor afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties. 
  23. Het begrip “stookinstallaties” verwijst naar stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of meer dan 50 MW, ongeacht de brandstof die wordt gebruikt.
  24. Deze installaties verwijzen niet naar de BKG-installaties (BroeiKasGas). De BKG-installaties die op 1 januari 2013 beschikken over een milieuvergunning voor activiteiten en processen die BKG-emissies tot gevolg hebben en die geviseerd worden door een wijziging ingevolge richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van de richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden, worden geacht te zijn. 
  25. Artikel 238 van de VLAREM 2012-trein viseert de installaties die voldoen aan de volgende voorwaarden: (i) een GPBV-installatie die (ii) in bedrijf is en een milieuvergunning heeft gekregen voor 7 januari 2013 of die een volledige aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend voor 7 januari 2013 en die (iii) uiterlijk op 7 juli 2015 in gebruik is genomen en (iv) die ingedeeld is onder één van de VLAREM I-rubrieken die limitatief worden opgesomd. Deze limitatieve lijst verwijst o.m. naar de volgende rubrieken: 2.4.1 de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van bepaalde activiteiten; 2.4.1. ondergrondse opslag van gevaarlijke stoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton; 19, 9°. De industriële fabricage van één of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board, spaanplaat, vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m³ per dag; 43.3 het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer.
  26. Risicogrond is grond waarop zich een risico-inrichting bevindt of was opgetrokken en/of risico-activiteiten worden en/of werden verricht. De risico-inrichting of risico-activiteit valt onder de lijst vastgesteld door het uitvoerend besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007. 
  27. De overdracht van grond betreft o.a. de overdracht van het eigendomsrecht over een grond, het aangaan of de beëindiging van een concessie van een grond, etc. De bepalingen die van toepassing zijn ingeval er sprake is van een dergelijke overdracht van grond, vereisen dat de verkrijger van de grond voldoende wordt geïnformeerd en dat, indien het een risicogrond betreft, een OBO wordt opgemaakt. 
  28. Voor nieuwe verontreiniging (verontreiniging ontstaan na 28 oktober 1995): overschrijding van de bodemsaneringsnormen; voor historische bodemverontreiniging (verontreiniging ontstaan vóór 29 oktober 1995): vaststelling van een ernstig risico voor mens en milieu. 
  29. Deze artikelen verwijzen naar de vrijstellingen van de verplichting om een volledig nieuw OBO op te maken. 

Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze e-bulletin werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze e-bulletin bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze e-bulletin zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze e-bulletin doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze e-bulletin dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.
 

 

 

 

 

Team

Related news

17.08.2018 BE law
Overstromingen en vergunningen: hoe zit het nu juist?

Articles - Met de vaststelling van de zogenaamde watergevoelige openruimtegebieden (ook wel de "WORG") hoopt de Vlaamse regering een nieuwe stap te zetten richting in haar overstromingsbeleid. En hoe beter een grond tegen overstromingen beschermen dan er een (relatief) bouwverbod op te voorzien. Maar is het vooropgestelde bouwverbod in deze WORG wel een aardverschuiving? In deze post vergelijken we drie watergerelateerde instrumenten waarmee het vergunningverlenend bestuur rekening moet houden.   

Read more

27.07.2018 NL law
Conclusie AG programma aanpak stikstof: het PAS als instrument is veelbelovend, maar twijfel of het voldoet aan de Habitatrichtlijn. De ADC-toets als creatieve oplossing om het PAS in stand te kunnen houden?

Articles - Advocaat-Generaal ("AG") Kokott heeft op 25 juli 2018 een conclusie genomen over de vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak over het programma aanpak stikstof. Een dergelijk programma kan op zichzelf voldoen aan de Habitatrichtlijn. Knelpunt ziet de AG in het vooruitlopen op de positieve effecten van te treffen reductiemaatregelen. Verder geeft de AG als handreiking mee gebruik te maken van de zogeheten ADC-toets.

Read more

08.08.2018 BE law
Modification du contenu de la notice d'évaluation et de l’étude d’incidences en Région wallonne

Articles - Un décret du 24 mai 2018 modifie sur plusieurs points le régime de l'évaluation des incidences des projets sur l'environnement en droit wallon. Ce décret allège, d’une part, le contenu de la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement et renforce, d’autre part, le contenu de l'étude d'incidences. Il est applicable aux demandes de permis introduites depuis le 16 juin 2018.

Read more

23.07.2018 NL law
De gewijzigde Klimaatwet; wat staat er in?

Short Reads - Op 27 juni 2018 is een gewijzigd voorstel voor de Klimaatwet gepresenteerd aan de Tweede Kamer (zie hier). In eerdere blogberichten bespraken wij de verhouding tussen de Klimaatwet en het Klimaatakkoord (zie hier) en het oorspronkelijke initiatiefwetsvoorstel van Klaver en Samsom in 2016 (zie hier).

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring