Short Reads

Aanwijzingscriteria voor Natura 2000 gebied

Aanwijzingscriteria voor Natura 2000 gebied

Aanwijzingscriteria voor Natura 2000 gebied

01.10.2013 NL law

De Afdeling heeft weer uitspraak gedaan over een aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied. De Afdeling maakt in deze uitspraak nog eens duidelijk (1) wat de criteria voor het vaststellen van de begrenzing van een Natura 2000-gebied zijn en (2) welke feiten en omstandigheden bij de besluitvorming betrokken moeten worden. Kort gezegd zijn dat de feiten en omstandigheden die aan de orde zijn ten tijde van de besluitvorming.

Kortom er moet conform het uitgangspunt in het bestuursrecht zogezegd “ex nunc” worden beslist door het bestuursorgaan. Let wel, het gaat hier niet om de toetsing door de rechter, maar om welke feiten en omstandigheden op het moment waarop het bestuursorgaan beslist meegenomen moeten worden. Ook in geval een bestuursorgaan opnieuw in de zaak voorziet na een rechterlijke vernietiging, wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van die hernieuwde beslissing, dat is voor wat betreft de aanwijzingsbesluiten op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet 1998) niet anders.

De casus

De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1238) betreft de wijziging van de aanwijzing van het gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ als Natura 2000-gebied. De grenzen van dit gebied heeft de staatssecretaris – na vernietiging van een deel van het besluit eerder door de Afdeling in 2011 – ambtshalve – vergroot met een oppervlakte van ongeveer 34 ha ten opzichte van het ontwerpbesluit.

De Afdeling vernietigde in december 2011 de eerdere aanwijzing, omdat de staatssecretaris van Economische Zaken de begrenzing van het gebied ter hoogte van het Rammekensschor beter moest motiveren. Naar aanleiding van die uitspraak heeft de staatssecretaris het wijzigingsbesluit genomen. De Vogelbescherming, het college van gedeputeerde staten van Zeeland, het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen en een aantal bedrijven zijn het niet eens met het wijzigingsbesluit en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling.

Wat zijn de criteria voor het vaststellen van de begrenzing van een Natura 2000-gebied?

De bedrijven, het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Vlissingen vinden dat de staatssecretaris nog steeds niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het Natura 2000-gebied is uitgebreid. Zij vrezen dat het beschermde natuurgebied te dicht bij de bedrijven komt te liggen en dat de bedrijven daardoor in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Vaste jurisprudentie van de Afdeling is inmiddels dat:

  1. Alleen ornitologische en ecologische criteria bij de begrenzing een rol mogen spelen. De Afdeling verwijst in de onderhavige uitspraak naar haar eerdere uitspraak van 28 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU9459). De Afdeling oordeelt: “bij de selectie en begrenzing van een Natura 2000-gebied (mogen) slechts ecologische en ornithologische criteria worden gehanteerd.” (Zie ook: ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4929).De Afdeling oordeelt in de onderhavige uitspraak van 25 september 2013 dat er voor de staatssecretaris geen verplichting bestaat om zijn besluit te motiveren aan de hand van de criteria van bijlage III van de Habitatrichtlijn. Deze criteria dienen ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn te worden betrokken bij de selectie van gebieden die op de lijst van gebieden van communautair belang kunnen worden geplaatst. Bij de vaststelling van de begrenzing niet. De staatssecretaris heeft ambtshalve aanleiding gezien de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied uit te breiden. De vraag ligt derhalve voor of de staatssecretaris aan dit besluit ornithologische criteria ten grondslag heeft gelegd. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 20 oktober 2010 (zaak nr. 200908058/1/R2, overweging 2.11.2) waarbij is overwogen dat bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied beoordelingsruimte bestaat bij de exacte begrenzing.De Afdeling overwoog in haar uitspraak van 16 maart 2011 over een eventuele bufferzone “dat een begrenzing waarbij een vaste afstand tot inritten, wegen of bebouwing – in dit geval een kampeerterrein wordt aangehouden onverenigbaar is met het uitgangspunt dat bij de vaststelling van de begrenzing uitsluitend rekening mag worden gehouden met ecologische criteria, omdat niet in algemene zin ten behoeve van de in het gebied gelegen inritten, wegen of bebouwing kan worden vastgesteld in hoeverre de binnen die afstand gelegen gronden naar ecologische maatstaven al dan niet tot het aan te wijzen gebied moeten worden gerekend.” (ABRvS 16 maart 2011, 200902378/1 /R2, r.o. 2.13.2 en vergelijkbaar ABRvS 16 maart 2011, 2009023981I1R2, r.o. 2.22 e.v. met betrekking tot de bufferzone rondom een havengebied).Uit het aanwijzingsbesluit moet ook daadwerkelijk blijken dat op basis van die criteria de begrenzing is vastgesteld. In de eerdergenoemde uitspraak van 16 maart 2011 oordeelt de Afdeling: “De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de uitbreiding van de begrenzing van het aangewezen Vrl-gebied met het duinterrein rondom de vuurtoren voldoet aan de hierboven genoemde begrenzingencriteria dan wel anderszins een ornithologisch criterium ten grondslag is gelegd aan deze aanwijzing. Dat het duinterrein een landschapsecologische eenheid vormt met het overige duingebied van Texel is hiertoe onvoldoende, nu dit wat betreft het habitattype ´grijze duinen´ (H2130) niet in geschil is en ten aanzien van de ornithologische geschiktheid van het duinterrein voor vogelsoorten niet inzichtelijk is gemaakt. Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering; ABRvS 29 juni 2011, nr. 201002616/1/R2.”

    In een zaak waar de Afdeling op 14 november 2012 uitspraak deed (201104553/1/A4) was een onderdeel van het gebied aangewezen omdat het was “omsloten” door de wel aangewezen bospercelen. De staatssecretaris meende daarom dat de gronden als “cement tussen de bakstenen” van het wel op goede gronden aangewezen ecosysteem behoorde. De Afdeling overwoog echter dat “niet gebleken is dat de landbouwgronden overeenkomstig de in het bestreden besluit vermelde uitgangspunten, uit ecologische overwegingen binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied zijn gebracht. Het bestreden besluit vermeldt niet dat deze gronden integraal onderdeel uitmaken van het ecosysteem waartoe het habitattype ‘vochtige alluviale bossen’ behoort. Het enkele feit dat ze worden omsloten door de bospercelen, zoals de staatssecretaris stelt, betekent niet dat zij reeds daarom tot dat ecosysteem behoren en kunnen worden aangemerkt als “cement tussen de bakstenen”, zoals dat is omschreven in het bestreden besluit. Het bestreden besluit vermeldt evenmin dat de landbouwgronden nodig zijn voor het behoud van oppervlakte en kwaliteit van deze bossen in het gebied. De staatssecretaris heeft voorts in de stukken, noch ter zitting, aannemelijk gemaakt dat aan de opneming van de landbouwgronden ecologische overwegingen ten grondslag liggen.” Het besluit wordt vervolgens vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.
     
  2. Geen rekening mag worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Ook bedrijfsbelangen kunnen geen rol spelen bij de vaststelling van de grenzen van het Natura 2000-gebied.
    In het onderhavige geval oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris terecht de volgende aspecten buiten beschouwing heeft gelaten (1) de omstandigheid dat dit gebied wordt gebruikt als haven (2) bestaande rechten, zoals de milieuvergunning van één van de bedrijven.
    (Vgl. ook ABRvS 16 maart 2011, nr. 200902381/1/R2; HvJ EG 7 november 2000, nr. C-371/98; en ABRvS 20 oktober 2010, 200908058/1/R2.)

 

De Afdeling nam in haar uitspraak van  20 oktober 2010 (200908058/1/R2) nog uitdrukkelijk in aanmerking “dat een relatief klein oppervlak is toegevoegd aan het Natura 2000-gebied met een oppervlakte van 460 hectare”. Weliswaar lijkt reeds in die uitspraak de doorslag te geven dat de minister de begrenzing van het gebied in het aanwijzingsbesluit aan de hand van de juiste (ecologische) criteria heeft vastgesteld, maar de afmetingen van de toegevoegde oppervlakte komen thans in de uitspraak niet meer terug en lijken dan ook geen rol te hebben gespeeld bij de vraag of de begrenzing kon worden gewijzigd.

Volgens de Vogelbescherming had de staatssecretaris ook een zanddepot van veertien hectare als Natura 2000-gebied moeten aanwijzen. De reactie van de Afdeling op dit betoog van de Vogelbescherming moge ook niet verbazen gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Voor wat betreft de uitbreiding geldt immers volgens deze vaste jurisprudentie dat de uitbreiding:

  1. moet worden beoordeeld aan de hand van ornitologische of ecologische criteria; en
  2. dat de vraag of ook een ander gebied aangewezen had moeten worden (of onderdeel van het wel aangewezen gebied moet uitmaken) niet ter beoordeling staat in de procedure van een aanwijzingsbesluit. De Afdeling oordeelde eerder: “De vraag of het gebied tussen de bestaande gebieden als een nieuw Natura 2000-gebied moet worden aangewezen, staat in de huidige procedure, waarin de exacte begrenzing van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone centraal staat, aldus ook niet ter beoordeling.” (ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3652)

Zie voor een mooi overzicht van de jurisprudentie van aanwijzingsbesluiten ook: H.E. Woldendorp, “Nieuwe jurisprudentie over de aanwijzing van Natura 2000-gebieden”, BR 2012/12.

Welke feiten en omstandigheden bij de besluitvorming betrokken moeten worden

De Vogelbescherming voert in de onderhavige procedure aan dat voor de aanwezigheid van de kwalificerende soorten niet dient te worden uitgegaan van de situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in 2012, maar van de situatie ten tijde van het besluit van 23 december 2009. Uit de passende beoordeling en de Nbw 1998-vergunning van 29 januari 2010 voor het zanddepot blijkt volgens de Vogelbescherming dat ten tijde van het besluit uit 2009 vogelsoorten aanwezig waren die kwalificeren op grond van de Vogelrichtlijn. Daarnaast waren voorafgaand aan de realisatie van het zanddepot dezelfde habitattypen aanwezig als in het wel aangewezen Habitatrichtlijngebied. Dat in de tussentijd een zanddepot is verwezenlijkt en de kwalificerende waarden zijn verdwenen, dient voor de beoordeling door de staatssecretaris geen verschil te maken, zo meent de Vogelbescherming. Als wel van de situatie in 2012 uitgegaan zou worden zou het er – naar mening van de Vogelbescherming – namelijk “op neerkomen dat met de realisatie van het zanddepot de overheid  (…)is beloond voor het onjuist uitvoering geven aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.” De Vogelbescherming wijst daarbij op het arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2007, C-418/04, Commissie tegen Ierland. Uit dit arrest leidt de Vogelbescherming af dat gebieden, ook al zijn deze door verslechtering en verstoring minder geschikt geraakt voor de instandhouding van beschermde soorten, toch moeten worden aangewezen als deze eerder tot de meest geschikte gebieden behoorden. Dit zou een doorbreking van het systeem van het bestuursrecht zijn waarbij toetsing van de besluitvorming aan de hand van de ten tijde van het te nemen besluit geldende feiten en omstandigheden geschiedt.

De staatssecretaris voert hiertegen aan dat voor het vaststellen van de kwalificerende waarden moet worden uitgegaan van de situatie op het moment dat uitvoering dient te worden gegeven aan de uitspraak van 28 december 2011. Het arrest van 13 december 2007 zoals aangehaald door de vogelbescherming, maakt dat naar het oordeel van de staatssecretaris niet anders omdat de situatie die aanleiding was voor dat arrest een heel andere was, daarbij was sprake van het ten onrechte niet aanwijzen van een kwalificerend gebied. Die situatie doet zich hier echter niet voor.

De Afdeling geeft vervolgens een heldere uiteenzetting van één van de uitgangspunten van de besluitvorming in het bestuursrecht. Zo overweegt de Afdeling “In het bestuursrecht geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan een besluit neemt met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van dat besluit. Ook in geval een bestuursorgaan opnieuw in de zaak voorziet na een rechterlijke vernietiging, wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de hernieuwde beslissing.“

De Afdeling oordeelt dat van dit uitgangspunt ook niet op grond van het aangehaalde arrest van 13 december 2007 door de staatssecretaris afgeweken hoefde te worden. In dat arrest was aan de orde dat “een bepaald gebied niet als speciale beschermingszone was aangewezen, terwijl vaststond dat het gebied in de zogenoemde IBA-lijsten was opgenomen als meest geschikt gebied voor de instandhouding van de grote stern. Volgens het arrest was de aanwijzingsverplichting die op de lidstaat rustte niet automatisch komen te vervallen omdat het gebied later niet meer het meest geschikt was. In het voorliggende geval is het Vogelrichtlijngebied Westerschelde echter reeds op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone, zodat moet worden geoordeeld dat in zoverre aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn is voldaan. Voorts is van belang dat bij de selectie en begrenzing van een Vogelrichtlijngebied slechts ornithologische criteria mogen worden gehanteerd. In het bestreden besluit staat dat de gronden ter plaatse van het zanddepot thans niet behoren tot het leefgebied van vogelsoorten. De Vogelbescherming heeft dit niet weersproken. Ook ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het onderhavige gebied niet is aangewezen op ornitologische criteria, zodat het gebied op de goede gronden is aangewezen.

De Afdeling geeft voor de uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied een zelfde redenering. Ook hier geldt onverkort dat het besluit moet worden genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming. De Afdeling acht daarbij nog van belang dat “de staatssecretaris mocht uitgaan van de begrenzing voor dit deel van het Natura 2000-gebied, zoals dat op de lijst van gebieden van communautair belang was geplaatst. Voor het oordeel dat de overheid is beloond voor het onjuist uitvoering geven aan de Habitatrichtlijn ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding. De staatssecretaris mocht, gelet op vaste jurisprudentie, uitsluitend ecologische criteria betrekken bij de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied.” De Vogelbescherming heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris bij de herbegrenzing van het Natura 2000-gebied in het bestreden besluit andere dan ecologische criteria heeft gehanteerd.

Kortom er moet zogezegd “ex nunc” worden beslist door het bestuursorgaan. Let wel, het gaat hier niet om de toetsing door de rechter, maar om welke feiten en omstandigheden op het moment waarop het bestuursorgaan  beslist meegenomen moeten worden. Ook in geval een bestuursorgaan opnieuw in de zaak voorziet na een rechterlijke vernietiging, wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van die hernieuwde beslissing, dat is voor wat betreft de aanwijzingsbesluiten op grond van de Nbwet 1998 niet anders. Beoordeeld moet slechts worden of de begrenzing en aanwijzing van die gebieden op grond van ornitologische en ecologische criteria is geschied.

Related news

17.07.2018 NL law
Doelstelling windenergie van 6.000 MW op land zal niet in 2020 worden gehaald, maar de minister is optimistisch

Articles - Uit de Monitor Wind op Land 2017 en het Plan van Aanpak Windenergie op land 2018 blijkt de voortgang van de doelstelling om in 2020 6.000 MW aan opgesteld vermogen windenergie op land te hebben. Er wordt weliswaar meer windenergie opgewekt, maar de doelstelling in 2020 wordt waarschijnlijk niet gehaald. Wij bespreken de knelpunten en hoe nu verder.

Read more

10.07.2018 NL law
Wijziging van de ladder voor duurzame verstedelijking, hoeveel treden worden er werkelijk genomen?

Articles - De realisatie van een bedrijf zal vaak als nieuwe stedelijke ontwikkeling kwalificeren. In dat geval moet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan (de Ladder). Kort samengevat onderzoekt het bevoegd gezag (in de praktijk laat het bevoegd gezag dit onderzoeken) bij het aflopen van de Ladder of er wel behoefte is aan het nieuwe bedrijf. Dit past binnen het vaak gehoorde credo “niet bouwen voor leegstand”.

Read more

17.07.2018 EU law
Proposal for the main features of the Climate Agreement published

Articles - After four months of negotiations involving approximately 100 parties, the proposal for the main features of the Climate Agreement (voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord – the "Proposal") was published on 10 July 2018. This blog outlines the background of the current negotiations in respect of the Climate Agreement in the Netherlands and describes several measures included in the Proposal.

Read more

10.07.2018 NL law
Omgevingsvergunning zonnepark: ruimtelijk aanvaardbaar?

Articles - De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een tussenuitspraak gedaan over een omgevingsvergunning voor een grootschalig zonnepark bij Sappemeer in de gemeente Midden-Groningen. Het college moet beter onderbouwen waarom de ruimtelijke gevolgen van het zonnepark voor omwonenden aanvaardbaar zijn. De huidige motivering, namelijk dat glastuinbouw was toegestaan en het zonnepark daarop geen grote inbreuk maakt, acht de Afdeling onvoldoende.

Read more

16.07.2018 BE law
Le Plan Régional de Développement Durable, qui fixe les objectifs et priorités de développement de la Région de Bruxelles-Capitale à moyen et à long terme, est adopté

Articles - Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale a adopté, le 12 juillet 2018, le Plan Régional de Développement Durable, qui remplace le Plan Régional de Développement du 12 septembre 2002 et définit la vision territoriale de la Région, aux horizons 2025 et 2040.

Read more

10.07.2018 NL law
De informatieplicht en de verplichting tot het treffen van energiebesparende maatregelen uit het Activiteitenbesluit onder de loep

Articles - Het thema energiebesparing blijft de gemoederen flink bezig houden. Geen nieuwsbrief kan erop nageslagen worden zonder dat dit thema zich opdringt. Zeker nu het Energieakkoord dat in 2013 werd gesloten zijn eerste lustrum viert en de meetbare doelen van 2020 in zicht komen, kan niet anders dan gezegd worden dat energiebesparing een hot topic is. In het kader van het behalen van de doelen van het Energieakkoord is recent (februari 2018) de introductie van een informatieplicht aangekondigd. Bedrijven moeten aan het bevoegd gezag melden welke maatregelen zijn getroffen.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring