Short Reads

Lichthinder: geen sprake van strijd met de zorgplicht van het Activiteitenbesluit als lichthinder wordt ervaren, of als deze eenvoudig kan worden opgelost.

Lichthinder: geen sprake van strijd met de zorgplicht van het Activit

Lichthinder: geen sprake van strijd met de zorgplicht van het Activiteitenbesluit als lichthinder wordt ervaren, of als deze eenvoudig kan worden opgelost.

28.11.2013 NL law

In artikel 2.1 lid 1 van het Activiteitenbesluit is een zorgplicht opgenomen die – kort samengevat – inhoudt dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) ontstaan, deze gevolgen zoveel als mogelijk moet voorkomen of moet beperken. 

Voor bepaalde aspecten is omschreven wat moet worden verstaan onder ‘voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu’ als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 Activiteitenbesluit. Enkele aspecten waarvoor dit bijvoorbeeld is omschreven zijn: energie, bodemverontreiniging, verontreiniging van grondwater, luchtverontreiniging, geluidhinder, geurhinder, lichthinder en stofhinder (artikel 2.1 lid 2 Activiteitenbesluit). Zo wordt bijvoorbeeld onder het ‘voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu’ van lichthinder verstaan ‘het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder’. Ondanks deze omschrijving wordt mij niet direct duidelijk uit artikel 2.1 Activiteitenbesluit wanneer er sprake zal zijn van een overtreding van de zorgplicht. Wat is bijvoorbeeld tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder? Dat zal mede uit jurisprudentie moeten blijken. In een recente uitspraak van de Afdeling gaat de Afdeling nader in op de vraag wanneer sprake is van strijd met de zorgplicht met betrekking tot lichthinder (ABRvS 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1896). Voordat ik de kern van die zaak bespreek, ga ik hierna eerst kort in op de vraag wanneer in het algemeen handhavend kan worden opgetreden wegens strijd met de zorgplicht van het Activiteitenbesluit.

Wanneer kan worden gehandhaafd wegen strijd met de zorgplicht?

Uit een uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 volgt dat er kan worden gehandhaafd op grond van de zorgplicht van het Activiteitenbesluit ingeval (cumulatief) aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. een (milieu)aspect moet niet-uitputtend zijn geregeld in het Activiteitenbesluit. Als het Activiteitenbesluit iets uitputtend regelt, dan is er volgens de Afdeling namelijk geen ruimte meer om te handhaven op te treden op grond van de zorgplicht van het Activiteitenbesluit. Van een uitputtende regeling is bijvoorbeeld sprake als er ten aanzien van een omschreven situatie of een activiteit een limitatieve opsomming is opgenomen met eisen en voorschriften (ABRvS 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631 en Stb. 2007, 415, p. 114-115).
  2. het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting moet onmiskenbaar is strijd zijn met de zorgplicht (ABRvS 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631).

Geen sprake van onmiskenbare strijd met de zorgplicht als lichthinder wordt ervaren of als de ervaren lichthinder eenvoudig kan worden opgelost.

De tweede vraag – of een handelen of nalaten van een drijver van een inrichting onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht – is eveneens aan de orde in een recente uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1896). Omdat nog niet duidelijk is op welke wijze dit – ook in de jurisprudentie ontwikkelde (ABRvS 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631) – tweede criterium moet worden uitgelegd, sta ik hier kort stil bij deze uitspraak. In deze zaak betoogde de appellant dat lichthinder werd ervaren in zijn woning ten gevolge van lichtstraling afkomstig van plafondarmaturen in het bewegingscentrum dat naast zijn woning is gelegen. Het voorkomen van lichthinder is in artikel 2.1 lid 1 onder h Activiteitenbesluit omschreven als ‘het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder’. Volgens de appellant kan de lichthinder eenvoudig worden voorkomen door de ramen af te plakken. Appellant had het bevoegd gezag daarom verzocht om handhavend op te treden tegen de lichthinder. Volgens appellant zou de zorgplicht worden overtreden.

Volgens de Afdeling vormen de volgende door appellant aangevoerde omstandigheden geen grond om zonder meer handhavend op te treden:

  • de omstandigheid dat lichthinder wordt ervaren,
  • de omstandigheid dat de ervaren lichthinder eenvoudig kan worden opgelost.

Volgens de Afdeling is met deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van onmiskenbare strijd met de zorgplicht. Het enkele ervaren van lichthinder is klaarblijkelijk niet voldoende voor strijd met de zorgplicht. Uit het navolgende blijkt dat als er een bepaalde norm wordt overschreden, dat dan volgens de Afdeling wel sprake kan zijn van strijd met de zorgplicht.

De NSVV norm mag ook worden toegepast voor hinder ten gevolge van binnenverlichting.

Voor het antwoord op de vraag of er lichthinder optreedt, mag volgens de Afdeling worden aangesloten bij de grenswaarden uit de ‘Algemene richtlijn betreffende lichthinder’ van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: NSVV), zo staat ook in de nota van toelichting van het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p. 181). Uit een rapport dat is opgesteld in opdracht van het bevoegd gezag blijkt dat de normen uit de NSVV ruim worden onderschreden. Het betoog van appellant dat de normen van NSVV niet analoog kunnen worden toegepast op binnenverlichting faalt. In het rapport dat is opgesteld in opdracht van bevoegd gezag staat immers dat de metingen zijn uitgevoerd alsof de lichthinderbronnen buiten zijn aangebracht. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval voor de berekening van de geobjectiveerde lichthinder van binnenverlichting niet aanvaardbaar is de richtlijn NSVV toe te passen, aldus de Afdeling. Aldus blijkt dat de NSVV volgens de Afdeling ook kan worden toegepast voor het antwoord op de vraag of er lichthinder optreedt ten gevolge van binnenverlichting.

Related news

30.04.2019 EU law
Climate goals and energy targets: legal perspectives

Seminar - On Tuesday April 30th, Stibbe organizes a seminar on climate goals and energy targets. Climate change has incited different international and supranational institutions to issue climate goals and renewable energy targets. Both the UN and the EU have led this movement with various legal instruments.

Read more

04.04.2019 NL law
Casus Lotto c.s.: Aanpassing naam vergunninghouder bij nieuwe rechtsvorm? Let op de eisen van het Unierecht!

Short Reads - De Kansspelautoriteit kan de tenaamstelling van vergunningen voor onder andere Lotto en de Staatsloterij niet zomaar wijzigen als de rechtsvorm van de vergunninghouders verandert. Dit gezien het door het Unierecht gewaarborgde vrije verkeer van diensten en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. Dat blijkt uit een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("ABRvS") van 13 maart 2019. Wat betekenen deze uitspraken voor de praktijk

Read more

01.04.2019 NL law
What is the Major Accidents (Risk) Decree 2015 and to which companies does it apply?

Short Reads - The Major Accidents (Risk) Decree 2015 (Besluit risico's zware ongevallen 2015) (Brzo) imposes far-reaching and immediate obligations on companies falling under its scope. It is therefore very important for a company working with dangerous substances to be able to determine whether the Brzo is applicable to its establishment. If this is the case, the company has to asses which rules under the Bzro apply.

Read more

10.04.2019 NL law
Casus Lotto c.s.: Aanpassing naam vergunninghouder bij nieuwe rechtsvorm? Let op de eisen van het Unierecht!

Short Reads - De Kansspelautoriteit kan de tenaamstelling van vergunningen voor onder andere Lotto en de Staatsloterij niet zomaar wijzigen als de rechtsvorm van de vergunninghouders verandert. Dit gezien het door het Unierecht gewaarborgde vrije verkeer van diensten en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. Dat blijkt uit een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("ABRvS") van 13 maart 2019. Wat betekenen deze uitspraken voor de praktijk?

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring