Short Reads

Bewijs van verzending op grond van de Awb: maak inzichtelijk wat wordt verzonden

Bewijs van verzending op grond van de Awb: maak inzichtelijk wat word

Bewijs van verzending op grond van de Awb: maak inzichtelijk wat wordt verzonden

05.11.2013 NL law

De feiten

Op 24 oktober 2013 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) het beroep van een melkveehouder gericht tegen een besluit van het Productschap Zuivel ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2013:214). Daarbij werd hem fataal dat hij niet kon aantonen een bepaald formulier (tijdig) ingestuurd te hebben. 

Wat was er aan de hand? Vóór 16 februari 2012 moest een speciaal voorgeschreven meldingsformulier worden ingediend voor de tijdelijke overdracht van een melkquotum. Hier ging het mis. Het meldingsformulier werd per fax pas ná 16 februari 2012 ontvangen, namelijk op 23 maart 2012. De enveloppe waarin het meldingsformulier al vóór 16 februari, te weten op 13 februari, zou zijn toegestuurd bevatte volgens het Productschap – anders dan de veehouder stelde – wel twee andere formulieren maar niet het meldingsformulier waarop deze procedure ziet.

De uitspraak

Het CBB overweegt in deze zaak dat het poststuk meerdere formulieren bevatte, maar dat een begeleidend schrijven waaruit blijkt dat het meldingsformulier was bijgevoegd, ontbreekt. Het CBB acht daarbij van belang dat de regelgeving niet voorziet in een bevoegdheid van verweerder om af te wijken van de voorgeschreven termijn. Het Productschap kon dus geen verzoeken ingediend na 16 februari 2012 accepteren. Naar het oordeel van het CBB is de melkveehouder er met het door hem overgelegde verzendbewijs van 13 februari 2012 en de door hem geschetste gang van zaken rond de verzending van het meldingsformulier, niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij het meldingsformulier vóór 16 februari 2012 heeft ingediend.

De melkveehouder schetst wat er – naar zijn mening – is gebeurd. Op 13 februari 2012 is door zijn gemachtigde een aantal registratieformulieren in één enveloppe naar verweerder gezonden. Het meldingsformulier was onderdeel van deze geregistreerde verzending (voorheen aangetekende post met handtekening retour). En omdat die verzending wel vóór 16 februari 2012 had plaatsgevonden, meende hij tijdig het formulier te hebben ingediend. De melkveehouder overlegde een bewijs van deze geregistreerde verzending, gedateerd 13 februari 2012. Met dit bewijs van verzending kon hij echter niet aantonen dat het meldingsformulier vóór 16 februari 2012 was ingediend. Het bewijs van verzending liet immers slechts zien dat een brief is verzonden. Het liet niet zien wat de precieze inhoud van de enveloppe is.

Het wordt voor de melkveehouder extra lastig om te bewijzen dat het formulier daadwerkelijk in de enveloppe zat, omdat de andere twee formulieren die tevens in die enveloppe hadden gezeten, wel tijdig zijn binnengekomen en door verweerder verwerkt. Alleen het meldingsformulier zat hier niet tussen. De gemachtigde is er zeker van dat het meldingsformulier ook is meegezonden. De melkveehouder moet in dit geval bewijzen dat ook het meldingsformulier in de bedoelde enveloppe heeft gezeten. De bewijslast rust op de melkveehouder.

De melkveehouder heeft gesteld dat in totaal drie meldingsformulieren tegelijk aan verweerder zijn toegezonden en dat het verzendbewijs op die zending betrekking heeft. Het verzendbewijs bewijst volgens het CBB op zichzelf echter niet dat het meldingsformulier deel uitmaakte van deze zending. In de enveloppe zat geen begeleidende brief of een ander bewijsmiddel waarmee dit aannemelijk kon worden gemaakt. Uit de in het bezwaarschrift uiteengezette gang van zaken rond de datering, ondertekening en het verzendklaar maken van het meldingsformulier komt naar voren dat het meldingsformulier in deze opzichten een andere weg gevolgd zou kunnen hebben dan de twee andere formulieren, die wel door verweerder zijn ontvangen. Naar het oordeel van het CBB laat deze gang van zaken te veel ruimte over voor de mogelijkheid dat het meldingsformulier (abusievelijk) niet met de twee andere formulieren in dezelfde enveloppe terecht is gekomen.

Lessen

Wat leert deze uitspraak nu? Op zichzelf is het niet zo vreemd dat met het verzendbewijs nog geen bewijs is geleverd over de inhoud van de enveloppe. Daarbij helpt het de verzender in dit geval natuurlijk niet dat twee van de drie formulieren wel zijn aangekomen, die in dezelfde enveloppe zouden hebben gezeten. Het lijkt dan toch aannemelijk dat (per abuis) één formulier niet in de enveloppe is gestopt. Natuurlijk is het achteraf altijd lastig om aan te tonen wat de inhoud van een enveloppe nu precies was.

Maar om het eenvoudiger te maken voor – in dit geval – de melkveehouder en herhaling te voorkomen, lijkt het verstandig om ofwel elk formulier (elke aanvraag) in een separate enveloppe met verzendbewijs te versturen; de kans dat een volledig lege enveloppe verzonden wordt lijkt minder voor de hand liggend te zijn, dan het vergeten van één formulier in een grote stapel. En misschien nog wel beter:  stuur altijd een inventarislijst en begeleidend schrijven met een dergelijke verzending van (meerdere) (aanvraag) formulieren mee. Uit zo’n inventarislijst of uit het begeleidend schrijven (beter lijkt mij nog uit beide) volgt dan wat de verzender in de enveloppe heeft willen stoppen.

Mocht er dan toch iets ontbreken, dan dient het bestuursorgaan contact op te nemen met de verzender en een termijn te geven of de aanvraag aan te vullen. Immers op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb is het bestuursorgaan gehouden om de aanvrager in de gelegenheid te stellen om te aanvraag aan te vullen voordat het bestuursorgaan besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen. Mijns inziens dient het bestuursorgaan ook zorgvuldigheidshalve – nog los van artikel 4:5 Awb – in geval van een kennelijke fout bij verzending na te gaan of wellicht per abuis stukken uit de inventarislijst of het begeleidend schrijven ontbreken.

De vraag blijft echter wel wat in dat geval als moment van indiening te gelden heeft. Volgens vaste jurisprudentie op grond van artikel 4:4 Awb geldt dat indien er een wettelijke verplichting bestaat om middels een voorgeschreven formulier een aanvraag in te dienen, het moment van indiening van de aanvraag het moment is waarop het formulier is ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat bij een subsidieaanvraag het subsidieplafond reeds is bereikt of overschreden, zodat geen subsidie meer verkregen kan worden terwijl dat bij de eerdere verzending nog niet het geval was (zie bijv. ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9943, waarbij een aanvraag eerst werd gedaan zonder het vereiste formulier en dat formulier later alsnog werd toegestuurd). In het geval van de melkveehouder in deze casus, was er misschien nog net voldoende tijd geweest om het meldingsformulier alsnog toe te sturen binnen de termijn. Het bestuursorgaan had hem dan wel direct moeten laten weten dat er een formulier ontbrak, maar daartoe had het bestuursorgaan dan wel weer duidelijk moeten zijn, wat de melkveehouder in de enveloppe meende te hebben gestopt.

In geval van bijvoorbeeld een subsidieaanvraag met een tendersysteem kan het uiteraard onwenselijk zijn om de datum waarop de ‘lege’ enveloppe wordt ontvangen als datum van ontvangst aan te nemen. Het zou mijns inziens wel redelijk zijn als ook in die situatie een gelegenheid tot het aanvullen van de aanvraag wordt geboden als sprake is van kennelijke fouten. Of indien bijvoorbeeld stukken zijn vergeten, of onjuist toegestuurd die de concurrentie niet schaden. Te denken valt aan bijvoorbeeld statuten. Deze bestaan immers al en het te laat toesturen wijzigt niets aan de positie van de aanvrager. In geval van een tendersysteem kan dat niet gelden voor alle stukken de positie wel wijzigen of aantasten en welke niet zijn meegezonden. Indien het bestuursorgaan bijvoorbeeld aannemelijk zou kunnen maken dat de verzender een bepaald stuk met opzet niet heeft meegestuurd, bijvoorbeeld om extra tijd te winnen om het stuk te kunnen opstellen kan geen extra aanvulmogelijkheid geboden te worden. Dat van een dergelijke situatie sprake is zou niet heel eenvoudig aangenomen mogen worden.

Uit deze uitspraak volgt ten slotte ook een les (al is het maar in burgervriendelijkheid in het kader van de behoorlijke bejegening) voor het bestuursorgaan. Controleer direct en goed of alle stukken daadwerkelijk zijn meegestuurd, zodat de burger nog (tijdig) kan aanvullen. En dan moet de burger natuurlijk het bestuursorgaan wel een handje helpen door duidelijk te maken wat de inhoud van de zending zou moeten zijn.

Related news

10.04.2019 NL law
Gevolgen van de Wnra: schorsing voortaan met behoud van loon en de wettelijke verhoging van loonvorderingen

Short Reads - Vanaf het moment dat ambtenaren werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, worden ook de civielrechtelijke bepalingen ten aanzien van deze overeenkomst van toepassing. Het gevolg is dat de overheidswerkgever en zijn werknemers te maken krijgen met fenomenen die zich in het ambtenarenrecht niet voordoen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de mogelijkheid van schorsing zonder behoud van loon, de termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt op (ten onrechte niet betaald) loon en de wettelijke verhoging van loonvorderingen.

Read more

12.04.2019 NL law
Hoogste Europese rechter bevestigt dat overheden onrechtmatige staatssteun proactief moeten terugvorderen

Short Reads - De maand maart 2019 zal vermoedelijk de juridisch handboeken ingaan als een historische maand voor het mededingings- en staatssteunrecht. Niet alleen deed het Hof van Justitie een baanbrekende uitspraak op het gebied van het verhaal van kartelschade. Het heeft in de uitspraak Eesti Pagar (C-349/17) van 5 maart 2019 belangrijke vragen opgehelderd over de handhaving van het staatssteunrecht op nationaal niveau.

Read more

10.04.2019 BE law
Acrylamide: zijn frieten ook juridisch schadelijk voor de gezondheid?

Articles - De risico’s door de aanwezigheid van acrylamide in levensmiddelen noopten de EU tot het nemen van risicobeperkende maatregelen. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven van bepaalde levensmiddelen (o.a. frieten, chips, koekjes, …) kregen de verplichting om tal van maatregelen te nemen.  De juridische kwalificatie van acrylamide en het regime van deze maatregelen worden in deze blog toegelicht.

Read more

10.04.2019 NL law
Casus Lotto c.s.: Aanpassing naam vergunninghouder bij nieuwe rechtsvorm? Let op de eisen van het Unierecht!

Short Reads - De Kansspelautoriteit kan de tenaamstelling van vergunningen voor onder andere Lotto en de Staatsloterij niet zomaar wijzigen als de rechtsvorm van de vergunninghouders verandert. Dit gezien het door het Unierecht gewaarborgde vrije verkeer van diensten en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. Dat blijkt uit een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ("ABRvS") van 13 maart 2019. Wat betekenen deze uitspraken voor de praktijk?

Read more

Our website uses functional cookies for the functioning of the website and analytic cookies that enable us to generate aggregated visitor data. We also use other cookies, such as third party tracking cookies - please indicate whether you agree to the use of these other cookies:

Privacy – en cookieverklaring