Articles

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

01.05.2013 NL law

1.  Uitnodiging seminar Actualiteiten bestuursrecht en omgevingsrecht 3 oktober 2013  
 
Graag nodigen wij u uit voor ons actualiteitenseminar op donderdag 3 oktober 2013. In één middag wordt u bijgepraat over de juridische ontwikkelingen op het gebied van het bestuursrecht en omgevingsrecht 2013. Het seminar vindt plaats van 14:00 uur tot 17:00 uur met aansluitend een borrel. U kunt kiezen uit actualiteiten op het gebied van bestuursrecht en/of omgevingsrecht om zo de middag samen te stellen die het best aansluit bij uw interesses.

Voor de definitieve invulling van het programma vragen wij uw assistentie. Er is namelijk veel gebeurd in 2013 en een middag is zo voorbij. Daarom vernemen wij graag welke onderwerpen u graag aan bod ziet komen.

U kunt zich hier registreren voor het seminar en aangeven welke onderwerpen volgens u aan bod zouden moeten komen. 
 
2.  Uitnodiging workshopdag Planvorming & projectontwikkeling van windparken 26 september 2013 
 
Stibbe organiseert in samenwerking met Pondera en Euroforum de Workshopdag Planvorming & projectontwikkeling van windparken.

Windenergie heeft een hoge prioriteit vanuit het rijk. Om de hoge prestatienormen van 6000MW voor Wind op Land te realiseren zijn er nog veel stappen te maken.

Tijdens deze workshopdag ‘Planvorming en projectontwikkeling van windparken’ wordt u over alle cruciale stappen in het ontwikkelen van een windpark geïnformeerd. De diverse thema’s worden integraal belicht met inhoudelijke bijdrages van de relevante stakeholders, zoals de overheid (beleidsmakers), commissie m.e.r. en initiatiefnemers.

Leer in slechts 1 dag hoe u de stappen voor de ontwikkeling van een windpark succesvol doorloopt. De workshopdag bestaat uit 4 blokken:

1. Procedures windparken
2. Milieueffectrapportage bij windparken
3. Natuur en wind
4. De belangrijkste thema’s effectbeoordeling windparken (met o.a. geluid, landschap, waterkeringen en radar)

Meer informatie is te vinden op de website van Euroforum en in deze flyer. 
 
3.  Implementatie RIE: aanpassing Wabo en Wm 
 
In de nieuwsbrief van november/december 2012 hebben we u geïnformeerd over de implementatie van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) in het Activiteitenbesluit. Met de implementatie van de RIE als opvolger van onder andere de IPPC-richtlijn zijn het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (Bees A), het Besluit verbranden afvalstoffen (Bva), het Oplosmiddelenbesluit en het Besluit emissie-eisen titaandioxide inrichtingen vervallen en zijn per 1 januari 2013 nieuwe eisen opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Ook zijn IPPC-inrichtingen 'type C-inrichtingen' geworden. Op deze inrichtingen is onder meer hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit (industriële emissies) van toepassing. Hierbij is voorzien in overgangsrecht; voor bestaande grote stookinstallaties is bijvoorbeeld een generieke overgangstermijn tot 1 januari 2016 opgenomen.

Naast de hiervoor genoemde emissie-eisen kent de RIE als relevante wijziging de introductie van het begrip 'BBT-conclusies'. De omgevingsvergunning voor milieu voor een inrichting dient te voldoen aan de best beschikbare technieken (BBT). Voor IPPC-inrichtingen zijn de BBT neergelegd in een Europees vastgesteld BBT-referentiedocument (BREF). In de RIE is het proces van totstandkoming van een BREF uitdrukkelijk beschreven. In een BREF dienen voortaan ook 'BBT-conclusies' te staan. Deze BBT-conclusies zijn leidend bij de vergunningverlening. Daarnaast dienen vergunningen binnen vier jaar na verschijning van nieuwe BBT-conclusies, op die nieuwe BBT-conclusies te worden aangepast en hieraan te voldoen.

Per 24 mei 2013 is de implementatie van de RIE in de formele wetten inwerking getreden (Stb. 2013, 176). Hiermee zijn de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangepast op onder meer de volgende punten:

•   Het vervangen van het begrip 'gpbv-installatie' door het begrip 'IPPC-installatie'.
•   De publicatie van BBT-conclusies moet worden gezien als "ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu" die dienen te worden betrokken bij de actualiseringsplicht van een vergunning (artikel 2.30 Wabo).
•    Bij de actualisatie van de vergunning kan het bevoegd gezag voorschriften stellen die strekken tot de toepassing van andere technieken dan die zijn aangevraagd. Hiermee kan de zogenoemde grondslag van de aanvraag' worden verlaten. De vergunninghouder moet hiervoor desgevraagd gegevens aanleveren (artikel 2.31a Wabo).
•     Het aanpassen van de bepalingen over het melden van ongewone voorvallen (artikel 17.1, 17.2 en 17.3 Wm).
•     Het invoegen van een nieuw artikel over maatregelen bij het niet-naleven van de voorschriften (17.5e Wm).
•     Vergunningen voor IPPC-installaties moeten voor eenieder elektronisch beschikbaar worden gesteld (artikel 19.1b Wm).

De volledige tekst van de implementatiewet is gepubliceerd in Stb. 2013, 159

4.  Ontwikkelingen in de bestuurlijke herinrichting van Nederland 
 
De laatste maanden is er veel gebeurd in het kader van de bestuurlijke herinrichting van Nederland.

Allereerst heeft de minister van BZK op 28 mei 2013 het nieuwe beleidskader gemeentelijke herindeling aan de Tweede Kamer toegezonden. In dit beleidskader geeft het kabinet aan hoe gemeentelijke herindelingen worden beoordeeld en getoetst. Uitgangspunt daarbij is " herindeling van onderop": het is primair aan gemeenten zelf om via herindeling te werken aan versterking van hun bestuurskracht. Het kabinet zal in ieder geval toetsen aan de volgende vijf criteria: (a) draagvlak, (b) interne samenhang/dorps- en kernenbeleid, (c) bestuurskracht, (d) evenwichtige regionale verhoudingen en (e) duurzaamheid.

Ten tweede is op 14 juni 2013 het wetsvoorstel afschaffing plusregio’s aan de Tweede Kamer aangeboden. Het wetsvoorstel (met memorie van toelichting) heeft tot doel een einde te maken aan de verplichte samenwerking in de acht plusregio’s. Uitgangspunt van het kabinet is een bestuurlijke inrichting die bestaat uit twee niveaus van algemeen bestuur naast het Rijk. De plusregio’s passen hier niet goed in. Het kabinet is van mening dat er thans langs andere weg kan worden voorzien in de behoefte aan bestuurlijke voorzieningen rondom de grote steden, namelijk door de overheden zelf weer meer de ruimte te bieden om te kiezen voor de meest adequate vorm van samenwerking. Omdat de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en diverse bijzondere wetten rechtstreeks taken en bevoegdheden toekent aan de plusregio's, zullen deze taken moeten worden herverdeeld. Kort samengevat krijgt de provincie een taak op het gebied van de huisvesting. Ook de meeste verkeer- en vervoertaken gaan over naar de provincies, tenzij deze overgaan naar de twee nog op te richten vervoerregio’s. De taken op het gebied van jeugdzorg zullen – op grond van een ander wetsvoorstel – worden gedecentraliseerd naar de gemeenten.

Daarnaast heeft de minister van EZ op 1 mei 2013 de Tweede Kamer een voortgangsbrief gezonden over het voornemen tot afschaffing van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO's). Hierin werd aangegeven dat ernaar gestreefd werd het wetsvoorstel rond de zomer gereed te hebben voor consultatie. Naar aanleiding hiervan hebben de Tweede Kamerfracties een groot aantal vragen gesteld. Deze heeft de minister bij brief van 11 juni 2013 beantwoord. Deze brief is hier te lezen.

Ten slotte is de internetconsultatie over de noordvleugelprovincie gestart. Deze consultatie betreft het wetsvoorstel tot samenvoeging van de provincies Flevoland, Noord-Holland en Utrecht. Volgens het kabinet is de vorming van een nieuwe provincie nodig om vraagstukken van wonen, werken, verkeer en vervoer, milieu, recreatie en natuur, die in dit deel van de Randstad aan de orde zijn, meer samenhangend en krachtiger aan te pakken. Tot 16 oktober 2013 kan gereageerd worden op het concept-wetsvoorstel.
          
5.  Warmtewet aangenomen door de eerste kamer 
 
Op 15 september 2003 is een wetsvoorstel ingediend tot het stellen van regels betreffende warmtelevering aan kleinverbruikers (Warmtewet). De Eerste Kamer heeft het gewijzigd voorstel van wet op 11 juni 2013 aangenomen. De Minister van Economische Zaken heeft aangekondigd dat inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 - meer dan 10 jaar na indiening van het wetsvoorstel – is voorzien.

Het doel van de Warmtewet is kort gezegd het beschermen van kleinverbruikers die van warmtelevering afhankelijk zijn. Warmteleveranciers hebben een natuurlijke monopoliepositie omdat er doorgaans één leverancier per warmtenet is en het recht voor kleinverbruikers op een gasaansluiting vervalt in gebieden waar zich een warmtenet bevindt, of gaat bevinden.

De Warmtewet introduceert onder meer een vergunningsplicht voor warmtelevering aan kleinverbruikers. Daarnaast zullen leveranciers gebonden zijn aan een door de ACM jaarlijks vast te stellen maximumprijs voor de levering van warmte. Deze prijs is gebaseerd op het reeds in de markt gangbare principe dat de integrale kosten die een kleinverbruiker moet maken voor het verkrijgen van warmte via een warmtenet niet meer mogen zijn dan die voor dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron (het "Niet Meer Dan Anders-principe").

Tevens gaat de ACM toezicht houden op de rendementen van warmteleveranciers in de warmteleveringsmarkt. Indien na de eerste periode van toezicht van twee jaar blijkt dat onredelijke rendementen behaald worden, zal de ACM de bevoegdheid kunnen krijgen prijsverlaging van individuele warmteleveranciers af te dwingen. Onbekend is nog hoe de ACM "redelijke rendementen" zal gaan definiëren en hoe deze rendementen berekend zullen worden.

Tot slot introduceert de Warmtewet (i) een noodprocedure, vergelijkbaar met die uit de Gas- en Elektriciteitswet, omwille van leveringszekerheid van warmte, (ii) een verplichting voor de warmteleverancier om aan bepaalde kwalitatieve eisen te voldoen en (iii) de ACM als onafhankelijk toezichthouder van de warmteleveringsmarkt.

Meer informatie over de nieuwe Warmtewet is te vinden op de website van de Rijksoverheid. Alle kamerstukken van de Warmtewet zijn hier te vinden.  
 
6.  Hoge Raad gaat om: ruimere uitleg begrip bouwterrein 
 
Op 7 juni jl. heeft de Hoge Raad haar eindbeslissing gegeven in de zaak Woningstichting Maasdriel (nr. 10/02888bis). Het Europese Hof van Justitie (HvJ) besliste eerder in haar arrest van 17 januari 2013, C-543/11, dat de levering van onbebouwde, maar voor bebouwing bestemde grond belast is met BTW, wanneer uit een beoordeling van alle omstandigheden - met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens - blijkt dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk was bestemd om te worden bebouwd. Dit is een voor de vastgoedpraktijk belangrijke uitspraak omdat duidelijk is geworden dat voor de uitleg van het begrip “bouwterrein” niet kan worden vastgehouden aan de voorwaarden van artikel 11, vierde lid, Wet OB 1968, zoals ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Indien sprake is van een bouwterrein kan een beroep worden gedaan op de samenloopvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet Belastingen Rechtsverkeer zodat ter zake van de levering en verkrijging wél BTW maar geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Door het arrest zal eerder dan voorheen sprake kunnen zijn van een BTW belaste levering van een bouwterrein en dus vrijstelling van overdrachtsbelasting. Hierbij is wel van belang dat partijen kunnen aantonen dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk is bestemd om te worden bebouwd.

Eerder had de Hoge Raad in het arrest Don Bosco (10 juni 2011, nr. 41510bis) - na het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ - geoordeeld dat een deels gesloopte onroerende zaak kan kwalificeren als onbebouwd terrein, als de verkoper de sloop van de onroerende zaak voor zijn rekening neemt en de overeenkomst tussen de partijen erop gericht was om een onbebouwd terrein te leveren. De Don Bosco zaak werd verwezen naar Hof Den Haag om vast te stellen of inderdaad sprake was van een onbebouwd terrein in de zin van art. 11, vierde lid, Wet OB 1968 (i.e. een bouwterrein). Hof Den Haag kwam aan een inhoudelijke beantwoording van deze vraag niet toe omdat de belastinginspecteur zich ter zitting conformeerde aan het standpunt van de belanghebbende (2 maart 2012, nr. BK-11/00384). Deze vraag is nu alsnog door de Hoge Raad beantwoord, conform het eerdere arrest van het HvJ.

De zaak Woningstichting Maasdriel betrof de verkoop van een perceel grond met daarop een gebouw dat als bibliotheek in gebruik was geweest en een openbaar bestraat parkeerterrein. Voorafgaand aan de levering had de verkoper het bestaande gebouw doen slopen. De Hoge Raad besliste dat hij niet langer zijn rechtsopvatting handhaaft dat bij gehele sloop van een gebouw de vrijkomende grond pas kan worden aangemerkt als bouwterrein indien na de sloop van het gebouw bewerkingen aan de grond hebben plaatsgevonden met het oog op de nieuwe bebouwing. De Hoge Raad achtte daarbij van belang dat de koper de intentie had het perceel te gebruiken voor nieuwbouw en dat zij daarom bij de aankoop van het perceel met de verkoper is overeengekomen dat laatstgenoemde zorg zou dragen voor de sloop van het daarop staande gebouw, alsmede voor de verwijdering van de bestrating van het parkeerterrein. Daarmee staat volgens de Hoge Raad vast dat het perceel ten tijde van de verkrijging door koper bestemd was om te worden bebouwd (en dat dus sprake is van een bouwterrein).
 
7.  Wanneer kunnen concurrenten belanghebbenden zijn in een subsidiezaak? 
 
Op 29 mei 2013 heeft de Afdeling zich gebogen over de vraag in hoeverre concurrenten belanghebbenden kunnen zijn in een subsidieprocedure (ECLI:NL:RVS:2013:CA1378). Bijzonder aandachtspunt daarbij was dat de concurrenten een beroep deden op de staatssteunregels, waardoor de zaak een Unierechtelijke dimensie kreeg.

In de procedure had de minister van OC&W een subsidie verleend aan Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB) voor het uitoefenen van het beheer van door de overheid geheel of gedeeltelijk gesubsidieerde activiteiten en voorzieningen van Nederlands onderwijs in het buitenland. Edufax en de Wereldschool wendden rechtsmiddelen aan tegen deze subsidieverlening. De Afdeling beoordeelt in deze uitspraak of Edufax en Wereldschool aangemerkt kunnen worden als belanghebbende in de zin van de Awb.

De Afdeling overweegt allereerst dat een derde op grond van zijn concurrentiepositie kan worden aangemerkt als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Daarbij kan worden meegewogen dat de met subsidie ondersteunde bedrijfsactiviteiten kunnen leiden tot omzetverlies bij de derde. Voorts kunnen ook potentiële concurrenten als belanghebbende worden aangemerkt indien zij concrete plannen hebben en zijn begonnen met de uitvoering daarvan.

Met betrekking tot de Unierechtelijke dimensie oordeelt de Afdeling dat artikel 1:2 Awb en bovenstaande algemene overweging over dit artikel niet in strijd met het Unierecht is. Het is verder aan de partij die stelt (potentiële) concurrent te zijn, om dit aannemelijk te maken. Deze bewijslast rust dus op de appellant en niet op het bestuursorgaan of de bestuursrechter. Ook dit is niet in strijd met de Unierechtelijke onderzoeksplicht die op de nationale rechter rust naar de aanwezigheid van mogelijke staatssteun.

Met betrekking tot de vraag of concurrenten belanghebbenden zijn, is ook de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0691) interessant. Deze uitspraak heeft betrekking op de vaststelling van een bestemmingsplan. Een hotelontwikkelaar komt op tegen een bestemmingsplan dat een hotel op een afstand van 1,3 km van zijn geplande hotel mogelijk maakt. De Afdeling overweegt dat slechts het voornemen om mogelijk in de toekomst binnen hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied een project uit te voeren onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een voldoende objectief bepaalbaar en actueel belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. De ontwikkelaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar plannen ten tijde van de afloop van de beroepstermijn voldoende concreet waren om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen. De Afdeling acht hierbij ook van belang dat de realisering van het hotel nog afhankelijk was van nadere besluitvorming van het gemeentebestuur, waaronder een herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
 
8.  Koerswijziging Afdeling: belang van het voorkomen of beperken van parkeer- en verkeershinder is geen belang van de bescherming van het milieu 
 
Op 3 april 2013 heeft de Afdeling een nieuwe lijn ingezet bij de vraag of sprake is van een belang van de bescherming van het milieu (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7577). Alleen als sprake is van een dergelijk milieubelang, kan het bevoegd gezag de gevraagde vergunning weigeren of daaraan voorschriften verbinden.

Deze uitspraak heeft betrekking op de verlening van een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer voor een honden- en kattenpension annex paardenhouderij. Appellanten stelden dat met de aangevraagde situatie de verkeersoverlast in de omgeving zou toenemen, omdat het aantal verkeersbewegingen zou toenemen. Deze toename zou een nadelig effect hebben op de al bestaande parkeerhinder op de openbare weg en de verkeersveiligheid voor onder meer fietsende jeugd. De Afdeling oordeelt dat het belang van de verkeersveiligheid bescherming vindt in andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet. Het betreft niet het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer.

Ook het belang van het voorkomen of beperken van parkeer- en verkeershinder vindt bescherming in andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet. In de uitspraak wordt expliciet overwogen dat, anders dan in eerdere uitspraken, de Afdeling thans van oordeel is dat ook dit belang niet het belang van de bescherming van het milieu betreft.

Op 5 juni 2013 heeft de Afdeling deze nieuwe lijn nog een keer herhaald (ECLI:NL:RVS:2013:CA2095).
 
9.  Handhaving en toezicht bij milieu-inrichtingen 
 
Handhaving en toezicht bij de grote milieu-inrichtingen van Nederland krijgt steeds meer aandacht van de landelijke politiek en media. Dat blijkt wel uit de volgende vijf brieven en rapporten die de afgelopen maand naar de Tweede Kamer zijn gezonden.

Op 18 juni 2013 is het rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over de vergunningsituatie bij en de naleving door tankopslagbedrijf Odfjell Terminals Rotterdam BV aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin wordt geconcludeerd dat de omgevingsvergunning van Odfjell op een aantal onderzochte punten niet meer toereikend is en geactualiseerd dient te worden en dat Odfjell niet voldoet aan in de vergunningen opgelegde meet-, registratie- en onderzoeksverplichtingen. Op dezelfde datum presenteerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) zijn aanbevelingen rondom de veiligheidsituatie bij Odfjell. De OVV concludeert onder meer dat de toezichthouders zijn tekortgeschoten in het toezicht bij Odfjell. Het OVV-rapport is hier te lezen.

Een dag daarvoor (op 17 juni 2013) heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur het advies
 "Veiligheid bij Brzo-bedrijven, verantwoordelijkheid en daadkracht" aan de staatssecretaris IenM aangeboden. Hierin wordt in het kort geconcludeerd dat de veiligheid van Brzo-bedrijven en toezicht en handhaving daarop, verbetering behoeft. De vorming van de regionale uitvoeringsdiensten (Brzo-RUD's) kan een deel van de problemen volgens de Rli oplossen.

Op 18 juni 2013 heeft de staatssecretaris ook de Brzo-nalevings en handhavingsrapportage 2012 aan de Tweede Kamer toegezonden. Uit de rapportage blijkt dat in totaal 89% (365 bedrijven) van alle 411 BRZO-bedrijven in 2012 is geïnspecteerd. Dit is een stijging ten opzichte van 2011 toen 84% van de bedrijven werd geïnspecteerd.

De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 12 juni 2013 ook bij brief geïnformeerd met daarin haar motivering om majeure risico-bedrijven niet individueel te laten meebetalen aan toezicht. In de brief wijst de staatssecretaris op een aantal recente ontwikkelingen die aanleiding zijn om een opinie te vragen aan de Inspectieraad over het meebetalen aan toezicht.

Ten slotte heeft de staatssecretaris op 15 mei 2013 een brief aan de Tweede Kamer toegezonden over de stand van zaken met betrekking tot de naleving van brandveiligheidseisen bij de opslag van gevaarlijke stoffen (PGS 15). Hierin worden de bedrijven die (volgens ILT) nog niet of niet volledig aan de eisen voor de opslag van gevaarlijke stoffen voldoen bij naam genoemd. 

10.  Relativiteitsvereiste en de Flora- en faunawet 
 
Lange tijd was onduidelijk of een schending van de Flora- en faunawet (Ffw) tot vernietiging van een Ffw-ontheffing zou moeten leiden of dat de bestuursrechter hiervan zou kunnen afzien op grond van het relativiteitsvereiste. Dit vereiste is neergelegd in artikel 1.9 Chw en artikel 8:69a Awb en bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3666) wordt hier duidelijkheid over gegeven. Ten behoeve van het Windpark Noordoostpolder is op grond van de Ffw ontheffing verleend van het verbod op het doden en verwonden van een aantal beschermde vogel- en vleermuissoorten. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van die diersoorten. Het daadwerkelijke belang van de appellanten, die in de omgeving van het windpark wonen, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. De Afdeling overweegt dat het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten behoeft te worden geacht dat de Ffw met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. Dit geval doet zich echter hier niet voor.

Het gaat om een ontheffing op grond van de Ffw ten behoeve van een grootschalig windturbinepark. De diersoorten die in het geding zijn betreffen vliegende vogels en vleermuizen. Appellanten wonen op geruime afstand van het op te richten windturbinepark. Niet is gebleken dat met de bescherming van deze vogels en vleermuizen door het niet verlenen van de gevraagde ontheffing tevens de kwaliteit van hun directe leefomgeving in concrete zin wordt beschermd. Daarvoor is een directer verband nodig tussen de kwaliteit van hun directe leefomgeving en de te beschermen vogels en vleermuizen dan waarvan in dit geval kan worden gesproken. Dit betekent dat het betoog van appellanten over de Ffw-ontheffing niet kan leiden tot vernietiging van dat besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.
               
11.  Inzage in persoonsgegevens bij voormalig werkgeve
 
Op 30 januari 2013 oordeelde de Afdeling bestuursrechtsspraak Raad van State over een interessante privacyrechtelijke kwestie (ECLI:NL:RVS:2013:BY9910). Een voormalig werkneemster van de gemeente Zevenaar verzoekt inzage in de persoonsgegevens die haar voormalige werkgever (de gemeente) over haar verwerkt. De gemeente verstrekt kopieën van deze gegevens uit de personeels-en salarisadministratie en geeft hierbij aan dat deze gegevens in het kader van het voormalig dienstverband worden verwerkt.

De werkneemster verzoekt vervolgens om nog een groot aantal documenten waarin haar persoonsgegevens verwerkt zouden zijn. De gemeente verstrekt daarop een groot deel van de gevraagde documentatie, maar weigert om een aantal documenten en digitale mappen te verstrekken omdat deze geen deel zouden uitmaken van de personeels- en salarisadministratie en niet als een "bestand" - een gestructureerd en doorzoekbaar geheel in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - kunnen worden aangemerkt. Dit is van belang omdat de Wbp (en daarmee het inzagerecht in de gevraagde documenten) alleen van toepassing is als de persoonsgegevens, die niet geautomatiseerd worden verwerkt, zijn opgenomen of bedoeld zijn om op te worden genomen in een bestand. Daarnaast stelt de gemeente dat het niet beschikt over alle gevraagde documenten.

De Afdeling oordeelt dat een verzameling persoonsgegevens pas een bestand vormt wanneer aannemelijk is gemaakt dat deze op grond van meer dan één kenmerk onderlinge samenhang vertonen. De gevraagde documenten voldoen niet aan deze eis. Ook is het aannemelijk dat de gemeente bepaalde documenten niet heeft. Door het verstrekken van de overige documentatie met de daarbij horende informatie over de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt, de herkomst van de gegevens en de personen aan wie de gegevens worden verstrekt, heeft de gemeente voldaan aan haar verplichting om de voormalige werkneemster inzage te verstrekken in de persoonsgegevens die over haar worden verwerkt.

12.  Wet- en regelgeving met ingang van 1 juli 2013 
 
Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten
De Wns bevat twee onderdelen, namelijk een regeling in de Awb die betrekking heeft op schadevergoeding bij onrechtmatig bestuurshandelen en een regeling in de Awb die betrekking heeft op nadeelcompensatie (wegens rechtmatig bestuurshandelen). Op 1 juli 2013 is uitsluitend het deel dat betrekking heeft op schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Dit betreft in het bijzonder de nieuwe titel 8.4 van de Awb, waarin een verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter wordt geïntroduceerd. De wet is gepubliceerd in Stb. 2013, 50 en het inwerkingtredingsbesluit in Stb. 2013, 162. De gewijzigde tekst van de Awb is hier te lezen.
  
Gebruik nieuwe RO Standaarden per 1 juli 2013 verplicht
Sinds 1 juli 2013 is het gebruik van de RO Standaarden 2012 verplicht. Alle gemeenten zullen vanaf nu deze standaarden moeten gebruiken voor het opstellen van hun bestemmingsplannen. Meer informatie is te vinden op de website van Geonovum.
  
Wijziging Leegstandwet
De wijziging (Stb. 2013, 264) maakt het makkelijker om een leegstaand pand dat te koop staat tijdelijk te verhuren. De gewijzigde tekst van de Leegstandwet is hier te lezen.
    
Wijziging Bouwbesluit 2012 betreffende de energieprestatie van gebouwen
Aanleiding voor deze wijziging van het Bouwbesluit 2012 is de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (herziene EPBD, richtlijn 2010/31/EU) (Stb. 2013, 244).
 
Wijziging Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Deze wetswijzing (Stb. 2013, 242) introduceert een nieuwe uniforme en duidelijke veiligheidsstandaard voor alle nieuwe en bestaande wegtunnels die langer zijn dan 250 meter. De gewijzigde tekst van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels is hier te lezen.
    
Wijziging Winkeltijdenwet
Op grond van deze wetswijziging mag de gemeenteraad voortaan zelf bepalen of winkels op zondag geopend mogen zijn. De gewijzigde tekst van de Winkeltijdenwet is hier te lezen. De VNG heeft een modelverordening winkeltijden 2013 gemaakt voor gemeenten.
      
Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob
Met deze wet wordt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) uitgebreid. Door de wetswijziging wordt de Wet Bibob van toepassing op onder andere: (i) vastgoedtransacties en grondtransacties met de overheid; (ii) de exploitatie van speelautomaten; (iii) de import van vuurwerk; (iv) vergunningen in het kader van de Huisvestingswet; (v) de uitvoer, doorvoer en overdracht van strategische goederen en diensten en (vi) gemeentelijke vergunningen en ontheffingen waarvan de gemeente heeft aangegeven dat deze onder de werking van de Wet Bibob moeten vallen. Zowel de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob als het Verzamelbesluit evaluatie en uitbreiding Wet Bibob zijn in het Staatsblad gepubliceerd.
     
Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht
Deze wet (Stb. 2013, 226) wijzigt een aantal juridisch-technische onvolkomenheden in de Algemene wet bestuursrecht en enige andere wetten die zijn ontstaan door de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab). Tegelijk met deze Veegwet treden ook de bepalingen in de Awb over incidenteel hoger beroep (artikelen 8:110 tot en met 8:112 Awb) in werking (aldus Stb. 2013, 258).
 
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013
Op 27 juni is de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 in de Staatscourant (Stcrt. 2013, 16675) gepubliceerd. Deze versie treedt in de plaats van vorige versies van deze circulaire.
 
Tweede termijn reach
Een maand geleden (op 1 juni 2013) is de tweede registratietermijn voor REACH ingegaan. Sinds 1 juni 2013 moeten alle chemische stoffen boven de 100 ton per jaar die in de EU worden geproduceerd of geïmporteerd, geregistreerd zijn bij het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) in Helsinki. De REACH Verordening heeft tot doel om chemische stoffen veilig op de Europese markt te brengen. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie (verlening van vergunningen) en restrictie (beperking) van CHemische stoffen. Dit is de tweede van in totaal drie termijnen waarop registratieverplichtingen ingaan. Meer informatie is te vinden op de website van het RIVM.  
 
13.  Stand van zaken Omgevingswet en Wet natuurbescherming 
 
Omgevingswet     
Op 6 juni 2013 zijn de minister van IenM en het Interprovinciaal Overleg (IPO) het eens geworden over de hoofdlijnen van de Omgevingswet. De afspraken tussen IenM en IPO zijn neergelegd in dit afsprakenkader. Daarnaast hebben 48 organisaties een reactie ingediend op de toetsversie van de Omgevingswet, waaronder VNG en IPO. Nadat deze reacties verwerkt zijn zal het ontwerp-wetsvoorstel naar de Raad van State gezonden worden voor advies. Totdat het wetsvoorstel openbaar wordt, kunt u op de Stibbe-website http://www.pgomgevingswet.nl de toetsversie van de Omgevingswet van 28 februari 2013 bekijken.
    
Wet natuurbescherming
Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting voor de Wet natuurbescherming zijn controversieel verklaard. De staatssecretaris van EZ heeft in de brief 'Vooruit met natuurbeleid' van 8 maart 2013 aangegeven voornemens te zijn om voor de zomer van 2013 een nota van wijziging naar de Tweede Kamer te zenden. Tot op heden is deze nota van wijziging nog niet verschenen. Wel is op 6 juni 2013 een voorstel voor een nieuw stelsel voor agrarisch natuurbeheer aan de Tweede Kamer aangeboden en zijn 30 Natura 2000-gebieden definitief aangewezen (Stcrt 2013, 14643). Ten slotte is op 19 juni 2013 het wetsvoorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 ten behoeve van de programmatische aanpak stikstof (PAS) bij de Tweede Kamer ingediend. Alle kamerstukken van dit wetsvoorstel zijn hier te vinden. 
 
14.  Publicaties 

 
Alle bestuursrechtpartners van Stibbe zijn door Chambers individueel ingedeeld in de hoogste kwaliteitscategorie "Band 1". Het Stibbe team is "Band 1" op het gebied "Public Law: Planning and Environment: Netherlands". Ook in de Legal 500 is het Stibbe team ingedeeld in de categorie "Top tier firm" op zowel de rechtsgebieden "construction" als "environment and planning". Dit zijn de hoogste rankings die een kantoor kan behalen.
           
Daarnaast heeft Stibbe ook de Chambers Netherlands Client Service Award gewonnen. Deze prijs wordt toegekend aan het kantoor waarover de cliënten die door Chambers geïnterviewd zijn het meest positief zijn. Mr. van de week: Joop Janssen. Joop Janssen is in april 2013 door het online-tijdschrift Mr. uitgeroepen tot “Mr. van de week”. De directe aanleiding hiervoor is zijn benoeming tot voorzitter van de Commissie van Aanbestedingsexperts. Deze commissie bemiddelt en adviseert bij klachten over aanbestedingsprocedures in het kader van de nieuwe Aanbestedingswet 2012. Het interview van Joop Janssen in Mr. is hier te lezen.
               
Voldoende anderszins verzekerd’: Het voorkomen, beperken en afwentelen van planschadekosten
Tijn Kortmann en Simon Boersen, Gst. 2013/46
                    
Fusies in alle lagen van het onderwijs: praktische en juridische handvatten bij de toepassing van de fusietoets
Tom Barkhuysen en Machteld Claessens, NALL 2013, april, DOI 10.5553/NALL/.000011
                    
Gezondheidsrisico’s door dieren en omgevingsrecht
Tom Barkhuysen, Vooraf NJB 2013, afl. 19
              
Enkele recente ontwikkelingen in milieurechtelijke jurisprudentie
Valérie van 't Lam, BR 2013/90
             
Lager vaststellen en terugvordering van subsidie vanwege niet nakoming van subsidieovereenkomst. Beroep op overmacht?
Jan Reinier van Angeren, annotatie bij ABRvS 3 oktober 2012, AB 2013/157
                 
Kostenverhaal bestuursdwang, Overtreder, Normadressaat, Tweewegenleer, Bestuurdersaansprakelijkheid
Tijn Kortmann en Fleur Onrust, annotatie bij Rechtbank Breda 27 februari 2013, JM 2013/49
                         
Overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure; aanspraak op vergoeding van immateriële schade?
Tom Barkhuysen en Michiel van Emmerik, annotatie bij HR 11 januari 2013, AB 2013/149
              
Handhaving en vertrouwensbeginsel
Tom Barkhuysen en Simon Boersen, annotatie bij ABRvS 28 november 2012, JG 2013-01, 10
                
Misbruik van de Wob
Tom Barkhuysen en Simon Boersen, annotatie bij Rechtbank Rotterdam (civiel) 21 maart 2013, JG 2013-05, 3
                        
Intrekking Wm-vergunning vanwege ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu gerechtvaardigd, ondanks bereidheid vergunninghouder geluidsmaatregelen te treffen
Anna Collignon, annotatie bij ABRvS 10 april 2013, M en R 2013/83
               
Ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen op grond van de Flora- en faunawet aangevraagd voor omgevingsvergunning
Fleur Onrust en Annemarie Drahmann, annotaties bij Rb. Utrecht 6 september 2012 (BR 2013/80) en 7 februari 2013 (BR 2013/81)
             
De beslissing op een verzoek tot terugbetaling van een dwangsom is geen besluit
Thomas Sanders, annotatie bij ABRvS 13 maart 2013, AB 2013/153
                  
Het gebruik van bewijs bij de invordering van dwangsommen en de toetsing daarvan door de Afdeling
Thomas Sanders, annotatie bij ABRvS 20 maart 2013, JM 2013/62
                     
Prejudiciële vragen over de mogelijkheid voor gemeenten om leges te heffen voor de verstrekking van een uittreksel uit het GBA in het kader van een inzageverzoek ex art. 79 lid 3 Wet GBA
Friederike van der Jagt, annotatie bij Hof Den Bosch 26 oktober 2012, AB 2013/138
              
Bestemmingsplan maakt net als APV maximaal 69 werkplaatsen mogelijk. Regulering overlast door introductie schaarste in planologische regeling
Annemarie Drahmann, annotatie bij ABRvS 9 januari 2013, BR 2013/63
                      
Subsidieverdeelsysteem: niet in Staatscourant gepubliceerde beleidsregels worden geconverteerd tot vaste gedragslijn
Annemarie Drahmann, annotatie bij ABRvS 14 november 2012, AB 2013/121
             
Wat is de juridische status van de examencommissie van de Svh die een exclusieve bevoegdheid heeft om verklaringen af te geven?
Annemarie Drahmann, annotaties bij ABRvS 27 februari 2013, AB 2013/155 en Rb. Den Haag 20 maart 2013, AB 2013/156
                       
Toepassing van de Crisis- en herstelwet, de beperking van het beroepsrecht en de reactieve aanwijzing
Tijn Kortmann en Olivia den Hollander, annotaties bij ABRvS 6 februari 2013, BR 2013/65 en BR 2013/66

Team

Related news

13.12.2018 BE law
Bushalte zonder vergunning en veranda zonder architect: valt uw project ook onder de nieuwe regels?

Articles - De Vlaamse Regering voert aanpassingen door aan de vrijgestelde handelingen, handelingen van openbaar belang, vergunningsplichtige functiewijzigingen en handelingen vrijgesteld van de medewerking van een architect. Onder meer wat betreft vrijstellingen en medewerking van een architect, wijzigt er toch wel wat.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring