Articles

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

01.07.2013 NL law

1.  Uitnodiging Actualiteitenseminar bestuursrecht en omgevingsrecht 3 oktober 2013 
 
Graag nodigen wij u uit voor ons actualiteitenseminar op donderdag 3 oktober 2013. In één middag wordt u bijgepraat over de juridische ontwikkelingen op het gebied van het bestuursrecht en omgevingsrecht 2013. Het seminar vindt plaats van 14:00 uur tot 17:00 uur met aansluitend een borrel. U kunt kiezen uit één van de drie workshops over actualiteiten op het gebied van bestuursrecht, ruimtelijke ordening of milieurecht om zo de middag samen te stellen die het best aansluit bij uw interesses. 
 
2.  Ontwikkelingen windenergie 
 
Er is tussen onderhandelaars van het kabinet, bonden, werkgevers en milieuorganisaties overeenstemming bereikt over een Energieakkoord voor duurzame groei op 28 augustus 2013. Het Energieakkoord is de uitwerking van de overeenstemming op hoofdlijnen die op 10 juli 2013 was bereikt. Dit onderhandelaarsresultaat ligt nu ter goedkeuring voor bij de deelnemende organisaties. Daarnaast kijkt de Autoriteit Consument en Markt nog naar de mededingingsaspecten van dit akkoord.

In het akkoord zijn de volgende doelen opgenomen:

• Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar.
• 100 PJ (petajoule) aan besparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020.
• Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu 4 procent) naar 14 procent in 2020.
• Een verdere stijging van dit aandeel naar 16 procent in 2023.
• Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

De samenvatting van het Energieakkoord, met een beschrijving van de tien pijlers van het akkoord, is hier te lezen.

Daarnaast zijn op 28 augustus 2013 de Beleidsregels intrekken watervergunningen windturbineparken in de exclusieve economische zone in de Staatscourant (Stcrt. 2013, 21981) gepubliceerd.

In 2009 zijn voor twaalf verschillende locaties op de Noordzee vergunningen verleend voor de bouw van windturbineparken. De vergunningverlening voor deze windturbineparken maakt deel uit van het kabinetsstreven om in 2020 een substantieel deel van de energiebehoefte in Nederland op duurzame wijze te voorzien. Op grond van de Waterwet (Wtw) kan een vergunning worden ingetrokken indien de vergunning gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is gebruikt. Achterliggende gedachte bij deze intrekkingsbevoegdheid is te voorkomen dat tot in lengte van jaren verleende, niet-gebruikte vergunningen op de Noordzee rusten. In deze beleidsregels wordt neergelegd wanneer van deze intrekkingsbevoegdheid gebruik gemaakt zal worden. Er wordt niet van de bevoegdheid tot intrekking gebruikmaakt in de periode tot drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. De in 2009 verleende vergunningen waarop in 2012 uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gedaan, kunnen dus niet voor 2015 worden ingetrokken. Het enkele niet-gebruiken van de vergunning kan vanaf 2020 wel leiden tot intrekking. In de periode tussen 2015 en 2020 kan enkel onder bepaalde voorwaarden tot intrekking van de ongebruikte vergunningen worden overgegaan.
 
Ten slotte wijzen wij u op de Workshopdag Planvorming & projectontwikkeling van windparken die Stibbe organiseert in samenwerking met Pondera en Euroforum. Tijdens deze workshopdag wordt u over alle cruciale stappen in het ontwikkelen van een windpark geïnformeerd. De diverse thema’s worden integraal belicht met inhoudelijke bijdrages van de relevante stakeholders, zoals de overheid (beleidsmakers), commissie m.e.r. en initiatiefnemers. Meer informatie is te vinden op de website van Euroforum.  
 
 3.  Ontwikkelingen natuurbeschermingsrecht 
 
In juni 2013 is een wetsvoorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) aan de Tweede Kamer aangeboden. Het wetsvoorstel moet de definitieve Programmatische Aanpak stikstof (PAS) mogelijk maken. Het doel van de PAS is dat met (extra) beheermaatregelen gezorgd wordt voor herstel en ontwikkeling van habitattypen waardoor ontwikkelingsruimte voor nieuwe activiteiten gecreëerd worden. Het streven is dat de PAS op 1 januari 2014 in werking treedt. Alle Kamerstukken van het wetsvoorstel zijn hier te vinden.

Het wetsvoorstel is nodig om de wettelijke regeling in overeenstemming te brengen met concept-definitieve PAS. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een aanpassing van de definitie van een Natura 2000-gebied, zodat ook buitenlandse gebieden onder de werkingssfeer van de Nbw vallen. Ten derde bevat het wetsvoorstel een regeling voor het verlenen van vergunningen die uitsluitend gevolgen hebben voor buitenlandse Natura 2000-gebieden. Ten slotte zal artikel 19kd Nbw – dat bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden de gevolgen van een handeling voor de stikstofdepositie niet bij de vergunningverlening hoeven te worden betrokken – vervallen, omdat na inwerkingtreding PAS hieraan geen behoefte meer bestaat. Meer informatie over de PAS is te vinden op de website http://pas.natura2000.nl.
 
Daarnaast is met ingang van 25 april 2013 de Nbw, in het kader van het permanent maken van de Crisis- en herstelwet, op een aantal punten gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen die van artikel 19kd, alsmede de invoering van een nieuw artikel 19db Nbw 1998.
Een van de wijzigingen van artikel 19kd regelt dat de vergunningplicht vervalt als wordt voldaan de voorwaarden van artikel 19kd Nbw. Een tweede wijziging van artikel 19kd is dat het artikel nu ook van toepassing is op de vaststelling van plannen als bedoeld in artikel 19j Nbw. Een derde wijziging van het artikel betreft de aanpassing van de referentiedata, genoemd in lid 3. Op 2 juli 2013 heeft de staatssecretaris van EZ vragen van de commissie mer over uitleg en reikwijdte van het gewijzigde artikel 19kd Nbw beantwoord.Deze brief alsmede een samenvatting ervan is hier te lezen. Het nieuwe artikel 19db Nbw voorziet in een voorziening ter voorkoming van een dubbele toetsing op natuurwaarden voor projecten of andere handelingen die opgenomen zijn in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ontwikkelingsgebied in de zin van artikel 2.3 Chw. Het doel van dit artikel is dat de toetsing van dergelijke projecten en andere handelingen plaatsvindt op het planniveau en dat deze toetsing, indien voldaan wordt aan gestelde voorwaarden, niet nogmaals op projectniveau behoeft te worden uitgevoerd. Deze en andere wijzigingen worden uitgebreider beschreven in de Kroniek Natuurbeschermingsrecht 2013 van Marieke Kaajan (BR 2013/99). 
 
 4.  Zevende tranche Besluit uitvoering Chw: anticiperen op het omgevingsplan met bestemmingsplan met verruimde reikwijdte 
 
Op 14 juni 2013 heeft minister Schulz het ontwerpbesluit van de zevende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet aangeboden aan de Tweede Kamer (hierna: "het Besluit"). In het Besluit is onder meer vastgesteld dat de gemeenten Almere, Assen, Culemborg, Den Haag, Enschede, Weesp en Zaanstad kunnen experimenteren met het bestemmingsplan met bredere reikwijdte ("BmBR"). Daarmee krijgen deze bestemmingsplannen het karakter van het omgevingsplan onder de nieuwe Omgevingswet.

De reikwijdte in het BmBR is niet "beperkt" tot de goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wro), maar wordt verbreed tot (i) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (ii) het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Door de eerste verbreding kunnen bijvoorbeeld regels op het gebied van milieu in het BmBR worden opgenomen. Deze verbreding komt overeen met artikel 4.1 lid 1 conceptvoorstel Omgevingswet ("Omgevingswet"). Door de tweede verbreding kunnen regels die betrekking hebben op bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid en die in een APV zijn opgenomen, in een BmBR worden opgenomen. Alleen regels die in het geheel geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld concurrentiebepalingen) mogen niet worden opgenomen. Deze verbreding komt overeen met artikel 4.2 lid 2 Omgevingswet.

Daarnaast kent een BmBR een planperiode van twintig jaar in plaats van tien jaar en wordt de termijn voor een voorlopige bestemming opgetrokken van vijf jaar naar tien jaar. Dit vergemakkelijkt het bestemmen van langer lopende projecten. Dat is nog meer het geval, omdat de uitvoerbaarheid van een BmBR niet hoeft te worden aangetoond: het Besluit voorziet erin dat de raad bij het vaststellen van een BmBR kan afwijken van artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro. Ook praktisch is dat – indien van toepassing – de raad kan besluiten dat een exploitatieplan pas wordt vastgesteld bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen en niet al tijdens de vaststelling van het BmBR. Verder kan de raad in het BmBR bepalen dat geen recht op tegemoetkoming in de planschade bestaat ingeval van het verval van planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden die gedurende ten minste drie jaar ongebruikt zijn gebleven. Ook kan via het BmBR de maximale geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen eenvoudiger worden verhoogd ten opzichte van de Wgh en het Bgh. Verder wordt in het Besluit aangehaakt bij artikel 8.42b Wm, waardoor gebiedsgerichte milieuvoorschriften kunnen worden opgenomen in het BmBR. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel 2.19 Barim en na de totstandkoming van de modelverordening van de VNG voor deze bepaling kan in het BmBR worden afgeweken van de grenswaarden opgenomen in artikel 2.17 Barim.

Tot slot krijgt de gemeenteraad de bevoegdheid om het aanpassen van planonderdelen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders met de mogelijkheid deze bevoegdheid in te kaderen. Dit houdt een ruimere bevoegdheid voor het college in dan thans het geval is onder vigeur van de Wro. Het college kan nu immers gebruik maken van bijvoorbeeld uitwerkings- en wijzigingsplannen en binnenplanse vrijstellingen, welke in de wet vrij strikt zijn geregeld.

Het ontwerpbesluit is nu naar de Tweede Kamer gestuurd voor reactie (‘voorhangprocedure’). Daarnaast zal de Raad van State over het besluit adviseren. Zodra de zevende tranche definitief is vastgesteld en in werking is getreden, zullen wij u hierover in deze nieuwsbrief nader berichten.
Terug naar boven
 
 5.  Betalingsverplichting in bevoegdhedenovereenkomst is nietig 
 
In een recent arrest van de Hoge Raad staat de vraag centraal of een gemeente door middel van een bevoegdhedenovereenkomst een financiële vergoeding mag bedingen voor het verlenen van een vrijstelling van het bestemmingsplan voor de bouw van een woning. De gemeente wilde deze voorwaarde opleggen in het kader van de zogenoemde 'Ruimte voor Ruimte' regeling. De Hoge Raad moet de vraag beantwoorden of deze betalingsverplichting een onaanvaardbare doorkruising oplevert van het publiekrecht, in het bijzonder van de (in dit geval nog toepasselijke) WRO. De Hoge Raad constateert dat de voorwaarde geen onderdeel uitmaakt van het vrijstellingsbesluit, maar van de overeenkomst. De enkele verwijzing in de ruimtelijke onderbouwing naar de overeenkomst, maakt niet dat betalingsverplichting deel uitmaakt van het besluit. Mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel moet immers uit het besluit zelf duidelijk zijn welke voorwaarden daaraan zijn verbonden. Zo wordt voor een belanghebbende duidelijk of hij tegen het besluit bezwaar (kan en) moet maken om te voorkomen dat een bepaalde voorwaarde formele rechtskracht verkrijgt. In dit geval had de betalingsverplichting dus geen formele rechtskracht gekregen. Het Hof was verder van oordeel dat de betalingsverplichting ontoelaatbaar was, omdat onvoldoende gebleken was van een verband tussen het slopen van stallen in de gemeente en de uitgifte van nieuwe bouwkavels binnen die gemeente. De Hoge Raad volgt het Hof hierin en concludeert dan ook dat het beding nietig is. De overeengekomen € 89.957,12 hoeft dan ook niet betaald te worden. Het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ0520) is hier te lezen. 
 
6.  Te late publicatie in huis-aan-huis-blad leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding 
 
Het is niet ongebruikelijk dat er tussen de verzending van een vergunning aan de aanvrager en de bekendmaking van de verlening daarvan in een huis-aan-huis-blad enige tijd zit. Op grond van de Wabo moet deze bekendmaking 'zo spoedig mogelijk' plaatsvinden. Uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3897) volgt dat een praktijk van een gemeente om de publicatie standaard pas na twee tot drie weken te doen, kan leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Een omgevingsvergunning was op 22 augustus 2012 aan de aanvrager toegezonden. Daarmee was de vergunning bekend gemaakt en ging de bezwaartermijn van zes weken lopen tot 3 oktober 2012. De op grond van de Wabo vereiste publicatie in een huis-aan-huisblad vond pas plaats op 12 september 2012. Het bezwaarschrift werd op 20 oktober 2012, dus te laat, verzonden. De rechtbank oordeelt dat uit artikel 3.9 Wabo volgt dat een bestuursorgaan gehouden is zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit daarvan mededeling te doen. Ter zitting is namens het bestuursorgaan toegelicht dat de publicatie standaard pas na twee tot drie weken volgt. Volgens de rechtbank is deze praktijk in strijd met artikel 3.9 Wabo, omdat de termijn voor het maken van bezwaar hiermee systematisch wordt bekort. Dit is onder meer reden voor de rechtbank om te oordelen dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De belanghebbende was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
 
In het verlengde hiervan wijzen wij er tevens op dat, als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing is, op grond van de Awb op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze kennis moet worden gegeven van het besluit. Als dit niet wordt gedaan dan is het besluit niet correct ter inzage gelegd. Dit heeft tot gevolg dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift niet aanvangt. Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:539).  
 
7.  Subsidieaanvraag voor een windmolenpark noch het besluit daarop bevat milieu-informatie in de zin van de Wob 
 
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bevat een beperkt aantal weigeringsgronden om de openbaarmaking van documenten te weigeren. Voor het openbaarmaken van milieu-informatie zijn de weigeringsgronden die een bestuursorgaan mag gebruiken nog beperkter. Daarom kan het voor de indiener van een Wob-verzoek gunstig zijn om te stellen dat sprake is van 'milieu-informatie'. In dit geval was bij de minister voor Ontwikkelingssamenwerking een Wob-verzoek ingediend dat betrekking had op een subsidieaanvraag voor een windmolenpark in Namibië en het besluit daarop. Dit verzoek is gedeeltelijk afgewezen omdat onderdelen bedrijfs- en fabricagegegevens zouden betreffen die vertrouwelijk aan de overheid zouden zijn meegedeeld en openbaarmaking daarvan tot onevenredige benadeling van de uitvoerder van subsidieregelingen en de aanvrager zou leiden. De indiener van het Wob-verzoek betoogt in hoger beroep dat sprake zou zijn van milieu-informatie, omdat de subsidieverlening invloed heeft op de vraag of een windmolenpark wordt aangelegd en dit een (positieve) uitwerking op het milieu heeft. Daarnaast zou het ORET-programma als een maatregel ter bescherming van het milieu kunnen worden aangemerkt. De Afdeling gaat hier niet in mee en oordeelt dat de documenten geen gegevens bevatten over de toestand van elementen van het milieu of over factoren die deze elementen aantasten of waarschijnlijk aantasten. De subsidieaanvraag ziet op een windmolenpark. Het oprichten van zo’n park kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een maatregel die een uitwerking kan hebben op het milieu of als maatregel ter bescherming van het milieu. De subsidieaanvraag en het besluit daarop zijn echter geen milieu-informatie. Die informatie heeft betrekking op de financiën en de bedrijfsvoering van de aanvrager en de bij hem aanwezige expertise, alsmede op het al dan niet capabel zijn van de afnemer. Het uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:288) is hier te lezen. 
 
8.  Tips voor het neerleggen van overgangsrecht in een bestemmingsplan 
 
In een uitspraak van 17 juli 2013 geeft de Afdeling handvatten voor het opnemen van overgangsrecht in een bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2013:314).
In het aan de orde zijnde bestemmingsplan was al in 1980 op een perceel een noodwoning (een stacaravan met een bijgebouw) gerealiseerd. De vraag is aan de orde of de woning positief bestemd had moeten worden in het bestemmingsplan. De Afdeling oordeelt dat hoewel voor de realisatie van de noodwoning nooit een bouwvergunning is verleend, deze noodwoning vanaf 1980 tot op heden wel permanent bewoond is. Nu de noodwoning ten tijde van het onherroepelijk worden van het voorgaande bestemmingsplan in 2000 al permanent werd bewoond, kon ten aanzien van het gebruik van de woning wel een beroep worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van dit bestemmingsplan. Uit de planregels van het nieuwe bestemmingsplan volgt ook dat het gebruik van de noodwoning voor permanente bewoning is toegestaan op grond van het overgangsrecht. De Afdeling oordeelt dat het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand gebruik onder omstandigheden aanvaardbaar kan zijn. Hiervoor is in gevallen als het onderhavige in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. In dit geval was dit echter niet aannemelijk gemaakt. De gemeenteraad heeft dan ook niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen. De Afdeling overweegt vervolgens nog expliciet dat dit niet betekent dat een positieve bestemming moet worden toegekend aan de noodwoning. Gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet immers geen gerechtvaardigde verwachtingen of rechten op een dergelijke bestemming ontstaan. De gemeenteraad moet in gevallen als het onderhavige "een passende regeling" in het bestemmingsplan treffen, aldus de Afdeling.  
 
9.  Handhavend optreden onevenredig 

In het omgevingsrecht wordt als uitgangspunt gehanteerd dat als regelgeving wordt overtreden in beginsel handhavend moet worden opgetreden. Dit is de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling oordeelt niet vaak dat een uitzondering op deze plicht gemaakt mag worden. Daarom wijzen wij op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:455). In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat omdat de overtreding slechts bestaat uit twee beperkte afwijkingen van de bouwvergunning, het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van handhavingsmaatregelen ten aanzien van de afwijkingen van de bouwvergunning in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de afwijkingen van de bouwvergunning met het blote oog in het vrije veld nauwelijks waarneembaar zijn en dat niet is gebleken dat de belangen van derden door de afwijkingen worden geschaad. Ook wordt in aanmerking genomen dat de woning en bedrijfsruimte al geruime tijd geleden zijn gebouwd. Ten slotte acht de Afdeling van belang dat handhavend optreden ingrijpende gevolgen zou hebben, omdat dit zou betekenen dat de woning verplaatst zou moeten worden. 
 
10.  ACM hoeft geen volledige inzage te geven in gegevens van klagers 
 
Op 11 juli 2013 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een procedure over een door de Autoriteit Consument en Markt (ACM, voorheen OPTA) aan een reclameadviesbureau opgelegde bestuurlijke boete (ECLI:NL:RBROT:2013:5003). De boete was opgelegd wegens overtreding van het spamverbod van artikel 11.7 Telecommunicatiewet. Via de website www.spamklacht.nl kunnen klachten ingediend worden bij de ACM bij overtredingen van het spamverbod. Op grond van dit verbod is onder meer het verzenden van commerciële berichten aan natuurlijke personen verboden indien hiervoor geen voorafgaande toestemming is verkregen. Eisers – aan wie de boete was opgelegd – betoogden dat zij alleen commerciële berichten hadden verstuurd aan bedrijven, welke ten tijde van de overtreding (2007-2009), niet onder het spamverbod vielen. Om aan te kunnen tonen dat zij geen commerciële berichten hadden gestuurd aan natuurlijke personen, verzoeken zij de ACM om inzage in de door de ACM ontvangen klachten. De ACM weigert dit vanwege de privacy van de klagers. De eisers vinden dat ze zich, nu zij geen volledige inzage hebben in het dossier, niet goed kunnen verdedigen.

De rechtbank is van mening dat de eisers inderdaad beperkt zijn in hun verdedigingsmogelijkheden, maar dat deze beperking niet opweegt tegen de privacybelangen van de klagers en de belangen van de ACM om de gegevens van de klagers te beschermen. Het vrijgeven van de identiteit van de klagers zou een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de klagers zijn en zou bovendien potentiële toekomstige klagers af kunnen schrikken, stelt de ACM. De rechtbank vindt deze belangen zo groot dat deze zwaarder wegen dan een inbreuk op het recht van verdediging van de eisers. Hierbij telt mee dat de ACM van een vijftal klagers de identiteit wel aan de eisers heeft verstrekt zodat zij deze gegevens van de klagers konden onderzoeken.

Deze uitspraak laat duidelijk zien dat de rechter steeds een zorgvuldige belangenafweging moet maken, hetgeen ertoe kan leiden dat zowel het recht op privacy als het recht van verdediging niet ten volle uitgeoefend kunnen worden.  
 
11.  Hoe bereken je de hoogte van een planschadevergoeding voor een appartement? 
 
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 12 augustus 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:4413) invulling gegeven aan het begrip “onroerende zaak” ten behoeve van de bepaling van de planschadevergoeding voor drie appartementen binnen een appartementencomplex.

Door de vaststelling van een bestemmingsplan waren drie van in totaal negen woonappartementen binnen één complex in waarde gedaald. Voor toekenning van een planschadevergoeding moest op de waardedaling van deze appartementen het normaal maatschappelijk risico van 2% van de waarde van de onroerende zaak in mindering worden gebracht. De vraag was of de waarde van de onroerende zaak moest worden bepaald over het gehele wooncomplex of enkel de drie geraakte appartementen.

Voor de beantwoording van deze vraag moest de rechtbank vaststellen wat het begrip "onroerende zaak" in de zin van de Wet ruimtelijke ordening is. De wet en wetsgeschiedenis gaven hierover geen uitsluitsel. Door de gemeente werd wel elk appartement als een onroerende zaak onder de onroerende zaak belasting aangemerkt, waardoor de rechtbank aansluiting zocht bij artikel 16 Wet waardering onroerende zaken ("WOZ"). Voor de toepassing van deze wet zijn als onroerende zaken aangemerkt gebouwde eigendommen, dan wel een gedeelte daarvan dat blijkens de indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Volgens de rechtbank gaat het hier om een feitelijke vaststelling van het gebruik. De splitsing in appartementsrechten of kadastrale rechten per appartement kan weliswaar een rol spelen bij de vaststelling, maar is niet zonder meer doorslaggevend. Oftewel, ook niet gesplitste appartementen kunnen afzonderlijke onroerende zaken zijn.

De rechtbank concludeert dat de drie appartementen als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt. Het normaal maatschappelijk risico moet dan ook over deze drie appartementen worden bepaald.
Terug naar boven
 
 12.  Stand van zaken wet- en regelgeving 
 
Wet verhuurderheffing. Op 12 juli 2013 is de Wet verhuurderheffing en een wijziging van deze wet in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2013, 285 en Stb. 2013, 284). De wet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2013.

Warmtewet. In de vorige nieuwsbrief berichtten wij u dat de Warmtewet door de Eerste Kamer was aangenomen. Op 31 juli 2013 is deze in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2013, 325). De wet treedt in werking op 1 november 2013. De artikelen 4 en 5, eerste lid, Warmtewet zullen terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 2007.

Wetsvoorstel Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Dit wetsvoorstel creëert de grondslag voor de BGT. De BGT wordt een landsdekkende topografische registratie van de volgende objecten: wegdelen (zoals rijbanen, voetpaden), ondersteunende wegdelen (zoals verkeerseilanden en bermen), spoorlijnen (zoals voor trein en tram), begroeide en onbegroeide terreindelen en waterdelen, panden die voorkomen in de basisregistraties adressen en gebouwen (BAG), overige bouwwerken (zoals bassins, open loodsen, silo’s, windturbines en transformatorhuisjes die geen pand in de zin van de BAG zijn), scheidingen (zoals geluidsschermen, hekken en muren), kunstwerken (zoals bruggen, duikers en tunnels) en een zogenaamd functioneel gebied (met name waterkering). Het doel van de wet is om een eenduidige, landsdekkende digitale basiskaart te creëren die overheidsbreed als topografische ondergrond moet worden gebruikt. De Tweede Kamer heeft dit wetsvoorstel op 4 juli 2013 zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen. Het voorstel (EK 33.527, A) is nu in behandeling bij de Eerste Kamercommissie voor Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening (IMRO). Alle kamerstukken zijn hier te vinden.

Omgevingswet. Op 12 juli 2013 heeft de ministerraad ermee ingestemd het wetsvoorstel voor de Omgevingswet voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer. Totdat het wetsvoorstel openbaar wordt, kunt u op de Stibbe-website www.pgomgevingswet.nl de toetsversie van de Omgevingswet van 28 februari 2013 bekijken.
Daarnaast is op 22 augustus eerste (concept) indeling van de Algemene Maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet bekend geworden. Er wordt nu gedacht aan een clustering in drie AMvB’s: een Omgevingsbesluit, een Besluit omgevingskwaliteit en een Activiteiten in de leefomgeving. Een schema waarin staat welke huidige AMvB’s in welke nieuwe AMvB komen, kunt u hier downloaden.

Wet natuurbescherming. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting voor de Wet natuurbescherming zijn in oktober 2012 controversieel verklaard. De staatssecretaris van EZ heeft in de brief 'Vooruit met natuurbeleid' van 8 maart 2013 aangegeven voornemens te zijn om voor de zomer van 2013 een nota van wijziging naar de Tweede Kamer te zenden. Tot op heden is deze nota van wijziging nog niet verschenen. Wel is in juni 2013 een wetsvoorstel tot wijziging van de Nbw aan de Tweede Kamer aangeboden. Het wetsvoorstel moet de definitieve Programmatische Aanpak stikstof (PAS) mogelijk maken. Alle Kamerstukken van het wetsvoorstel zijn hier te vinden. 

Team

Related news

08.08.2018 NL law
Het beginsel van gelijke kansen geldt ook bij de verdeling van schaarse subsidiemiddelen

Short Reads - Bij de verdeling van schaarse subsidiemiddelen door het bestuur moet op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare middelen mee te dingen. Deze toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat zo ver dat onder omstandigheden het rechtszekerheidsbeginsel ervoor moet wijken. Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2310).

Read more

08.08.2018 BE law
Modification du contenu de la notice d'évaluation et de l’étude d’incidences en Région wallonne

Articles - Un décret du 24 mai 2018 modifie sur plusieurs points le régime de l'évaluation des incidences des projets sur l'environnement en droit wallon. Ce décret allège, d’une part, le contenu de la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement et renforce, d’autre part, le contenu de l'étude d'incidences. Il est applicable aux demandes de permis introduites depuis le 16 juin 2018.

Read more

27.07.2018 NL law
Conclusie AG programma aanpak stikstof: het PAS als instrument is veelbelovend, maar twijfel of het voldoet aan de Habitatrichtlijn. De ADC-toets als creatieve oplossing om het PAS in stand te kunnen houden?

Articles - Advocaat-Generaal ("AG") Kokott heeft op 25 juli 2018 een conclusie genomen over de vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak over het programma aanpak stikstof. Een dergelijk programma kan op zichzelf voldoen aan de Habitatrichtlijn. Knelpunt ziet de AG in het vooruitlopen op de positieve effecten van te treffen reductiemaatregelen. Verder geeft de AG als handreiking mee gebruik te maken van de zogeheten ADC-toets.

Read more

07.08.2018 NL law
General Data Protection Regulation comes into effect

Short Reads - On 25 May 2018, the European Union's General Data Protection Regulation (GDPR) came into effect. The GDPR replaces the EU's prior directive governing the processing and transfer of personal data, which was in place since 1995. As a regulation, the GDPR is directly applicable in all 28 EU member states and thus removes the need for national implementing legislation. However, the GDPR allows member states discretion in certain areas, as a result of which national legislation may still be implemented. In the Netherlands, the GDPR Implementation Act came into effect on 25 May 2018.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring