Jurisprudentie Omgevingswet in 2024 – deel I

Article
NL Law

Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De wet heeft, samen met het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving, ingrijpende wijzigingen tot gevolg voor het omgevingsrecht.

In een blogreeks signaleren wij jurisprudentie over de Omgevingswet ("Ow") die relevant is voor de praktijk. Daarbij gaat het om uitspraken over het overgangsrecht en uitspraken over de materiële toepassing van begrippen en procedures in het nieuwe stelsel. In deze eerste publicatie komen (vooral) uitspraken over het overgangsrecht aan de orde.  

Aanvragen en toepasselijkheid oud recht

Het overgangsrecht van de Ow is op diverse plaatsen te vinden. Hierna bespreken wij verschillende overgangsrechtelijke situaties. Uitgangspunt is dat voor aanvragen die zijn gedaan voor 1 januari 2024 het ‘oude recht’ van toepassing blijft, zij het dat daar wel uitzonderingen voor gelden want the devil is in the details, zoals ook al blijkt uit rechtspraak over overgangsrecht t.a.v. de Wabo

Wabo

In de afgelopen periode komt regelmatig de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op een aanvraag: de nieuwe Ow of het oude recht. De eerste uitspraak die gaat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning van vóór 1 januari 2024 is afkomstig van de Rechtbank Midden-Nederland (Rb. Midden-Nederland 3 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:13). Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, Invoeringswet Omgevingswet (“IwOw”) blijft op een vóór 1 januari 2024 ingediende aanvraag het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow. Deze overweging zien we inmiddels veelvuldig terug in andere uitspraken, zoals in de uitspraak van 31 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:360)  van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”). Zie ook de uitspraak van 10 januari 2024 van de  Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:168) waarin aan de orde komt dat – vanzelfsprekend – ook het Besluit omgevingsrecht dan van toepassing blijft. Er gelden wel uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld artikel 3.9, derde lid, eerste zin, Wabo. Het gaat in dat geval om een positieve beschikking van rechtswege (lex silencio positivo) bij niet tijdig beslissen op grond van paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht. Deze regeling is per 1 januari 2024 komen te vervallen. De uitzondering in artikel 4.3 IwOw leidt ertoe dat het oude recht in zulke gevallen uitsluitend van toepassing is op voor 1 januari 2024 ingediende aanvragen waarvoor de beslistermijn is verstreken en een van rechtswege verleende omgevingsvergunning is ontstaan, maar de van-rechtswege-beschikking nog niet van kracht is geworden

Natuur

Daarnaast bevestigt de uitspraak van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:131) dat bij indiening vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow het oude recht geldt voor een aanvraag voor een natuurvergunning op grond van Wet natuurbescherming (“Wnb”). Dit blijft het geval tot het besluit onherroepelijk wordt, aldus artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Voor ontheffingen blijkt dezelfde toepassing van het overgangsrecht uit een uitspraak van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:212).  Omdat de ontheffing vóór 1 januari 2024 was aangevraagd, is op basis van het overgangsrecht van artikel 2.9, eerste lid, Aanvullingswet natuur Omgevingswet de Wnb met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Daarnaast zal de ontheffing gelijk worden gesteld met een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, Ow, zodra de ontheffing onherroepelijk wordt.

In de uitspraak van 17 januari (ECLI:NL:RBMNE:2024:145) oordeelt de Rechtbank Midden-Nederland in een zaak over een verzoek om  beheermaatregelen in een natuurgebied. Het ging om een aanvraag bij het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht voor de toepassing van de aanschrijfbevoegdheid op grond van artikel 2.4 Wnb. De organisatie vraagt om concrete passende maatregelen te treffen ter voorkoming van verslechtering van het natuurgebied. Op grond van artikel 2.9, eerste lid, Aanvullingswet natuur Omgevingswet is de Wnb met de onderliggende regelingen nog van toepassing, nu de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2024. De Rechtbank Midden-Nederland merkt – met het oog op toekomstige besluiten of procedures – nog op dat de bepalingen die sinds 1 januari 2024 gelden een van de Habitatrichtlijn afgeleide wettelijke bescherming bieden die vergelijkbaar is met artikel 2.4 Wnb. In een noot onder de uitspraak verwijst de rechtbank naar artikel 2.44, eerste lid, Ow (aanwijzing Natura 2000-gebieden), artikel 3.59, aanhef en onder b, Besluit kwaliteit leefomgeving (passende maatregelen), artikel 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving (specifieke zorgplicht voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden) en artikel 11.9 Besluit activiteiten leefomgeving (maatwerkvoorschrift).

Andere aanvragen, zoals ontgronding, Wbr

Ook voor andere aanvragen kwam het overgangsrecht aan de orde in verschillende uitspraken. Het oude recht blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, IwOw bijvoorbeeld ook van toepassing op een voor 1 januari 2024 ingediende aanvraag ontgrondingsvergunning, zoals te lezen is in een uitspraak van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:157). Op 1 januari 2024 is ook de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (“Wbr”) komen te vervallen. Dit betekent dat vanaf die datum geen Wbr-vergunning meer vereist is. In een uitspraak van 16 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:99), oordeelt de Rechtbank Midden-Nederland dat op grond van het overgangsrecht van artikel 4.3 IwOw de Wbr wel van toepassing blijft op aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024. 

Provinciale verordening

Onder 'het recht' in de zin van artikel 4.3 IwOw dat van toepassing blijft bij aanvragen van vóór 1 januari 2024 valt volgens de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant ook een (op basis van de Wro vastgestelde) provinciale verordening (ECLI:NL:RBZWB:2023:8905). In die uitspraak van 19 december 2023 was een verzoek om voorlopige voorziening ingediend met als doel te bewerkstelligen dat een ingediende aanvraag "blijvend zou worden beoordeeld" aan de hand van de Omgevingsverordening van Noord-Brabant. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af in verband met het ontbreken van spoedeisend belang. Provinciale verordeningen zijn te typeren als ‘recht’ in de zin van artikel 4.3 IwOw waardoor de verordening zoals die geldt ten tijde van de aanvraag van toepassing blijft op de aanvraag. Daarbij zal dus (moeten) worden afgeweken van het uitgangspunt dat ex nunc op een aanvraag wordt beslist. 

Handhaving

Met de inwerkingtreding van de Ow speelt overgangsrecht ook een rol bij handhavingsverzoeken en -besluiten. Zo wordt een handhavingsverzoek dat is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Ow op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, IwOw (net als andere aanvragen dus) afgedaan onder oud recht. Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 blijft in dit geval van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 24 januari 2024 waar het ging om een overtreding van de Wabo (ECLI:NL:RVS:2024:246) en de Wabo en het Bouwbesluit (ECLI:NL:RVS:2024:254). Hetzelfde geldt voor een handhavingsverzoek op grond van de Waterwet, laat de uitspraak van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:153) ons zien. 

Behalve op handhavingsverzoeken, is op grond van artikel 4.23, eerste lid, IwOw ook overgangsrecht van toepassing bij handhavingsbesluiten. Wanneer een last onder dwangsom is opgelegd vóór 1 januari 2024 voor een (dreigende) overtreding, is het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow van toepassing (ECLI:NL:RVS:2024:253). Dit recht is van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. De Wabo blijft dus van toepassing bij een last onder dwangsom die is opgelegd in 2023. Zie bijvoorbeeld ook de Afdelingsuitspraken van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:117), 22 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:183), 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:244) en een uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 29 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:306).

Wij wijzen verder kort op het strafrecht. De nieuwe Ow kan gevolgen hebben voor de strafbaarheid van een feit (door gewijzigd inzicht van de wetgever) of voor de maximaal op te leggen geldboete voor een overtreding. Zie daarover de overweging van de Rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:303). In die zaak kwam de rechtbank overigens tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de Ow geen consequenties had voor de zaak. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van de Rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:306  en ECLI:NL:RBOBR:2024:299).

Bestemmingsplannen en Tracébesluit

In de afgelopen maand zien we ook jurisprudentie waarin het overgangsrecht aan de orde komt voor bestemmingsplannen. De Afdeling bevestigt, bijvoorbeeld in de uitspraak van 10 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:45) dat op grond van artikel 4.6, derde lid, IwOw het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow van toepassing is bij een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingplan, als het ontwerpbestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Dit blijft het geval tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. In een andere uitspraak van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:249) ligt het bestemmingplan “Landgoed Paleis Soestdijk” voor. Omdat het bestemmingsplan vóór 1 januari 2024 is vastgesteld, geldt het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het betoog dat bepalingen uit de Interim Omgevingsverordening in strijd zijn met de Ow en het Besluit kwaliteit leefomgeving slaagt dan ook niet. Er is geen aanleiding om exceptief aan de Ow te toetsen – nieuw recht is niet van toepassing op het vaststellingsbesluit. Zie verder ook de Afdelingsuitspraken van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:101) en 19 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:170).

Verder zien we dat de Afdeling hetzelfde overgangsrecht toepast op een beroep tegen een wijzigingsplan (ECLI:NL:RVS:2024:120) en een inpassingsplan (ECLI:NL:RVS:2024:382). Voor een Tracébesluit (ECLI:NL:RVS:2024:276) geldt vergelijkbaar overgangsrecht. Op grond van 4.44, eerste lid, IwOw blijft op een vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegd ontwerp-Tracébesluit het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip tot het Tracébesluit onherroepelijk is.

Redelijke uitleg van overgangsrecht: vernietigd herstelbesluit waarvan de rechtsgevolgen in stand worden gelaten wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een mba

In de einduitspraak (na tussenuitspraak) van 15 januari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:101) hanteert de Rechtbank Oost-Brabant “een redelijke uitleg” van het overgangsrecht. Tegen een op 24 februari 2021 verleende omgevingsvergunning was beroep ingesteld. De Rechtbank Oost-Brabant heeft het bestreden besluit en het herstelbesluit vernietigd, maar laat wel de rechtsgevolgen van het vernietigde herstelbesluit in stand onder vervanging van enkele aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden. Uit artikel 4.13 IwOw volgt dat de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1, eerst lid onder e, Wabo geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, Omgevingswet, zodra het bestreden besluit onherroepelijk is (zie bijvoorbeeld ook ECLI:NL:RBOBR:2024:26). De vraag doet zich voor of dat ook het geval is als sprake is van een vernietigd herstelbesluit waarvan de rechtsgevolgen in stand worden gelaten. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend: een redelijke uitleg van artikel 4.13 IwOw brengt namelijk met zich dat het herstelbesluit met de gewijzigde voorschriften geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, Omgevingswet, zodra de uitspraak onherroepelijk is.

Verzoek om planschade en onteigening

De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:225) beslist over een verzoek om tegemoetkoming in planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (“Wro”). Op een dergelijk verzoek  is het oude recht van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, totdat de toegewezen planschadevergoeding volledig is betaald. Het overgangsrecht hiervoor is te vinden in artikel 4.19 IwOw. 

Bij de Hoge Raad kwam in de zaak van 26 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:85) het overgangsrecht voor een onteigeningsgeding aan de ordeOp grond van artikel 4.4. Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet is op de onteigeningsprocedure het oude recht van toepassing. Voor het in deze onteigeningsprocedure (deels ook) toe te passen planschaderecht moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat óók het oude recht van toepassing blijft. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar artikel 4.19 IwOw. 

Afsluiting

Jurisprudentie over de Ow begint op gang te komen. Daarbij gaat het vooralsnog om de toepassing van het overgangsrecht. Tot nu toe zijn de uitspraken daarover vrij rechttoe rechtaan, met hier en daar een uitzondering (zoals een "redelijke uitleg" van het overgangsrecht). Wij verwachten in onze volgende blogberichten meer ontwikkelingen te kunnen meenemen. Wordt vervolgd, dus. 

Op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen?

Met onze Stibbeblogs blijft u op de hoogte van ontwikkelingen op het terrein van het bestuursrecht en omgevingsrecht. Wilt u graag automatisch via e-mail op de hoogte worden gehouden over een blogupdate? Meld u zich dan op onze website aan voor het ontvangen van een e-mail attendering bij het verschijnen van nieuwe bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke Stibbeblogs.

Ruben Roelands deed als student stagiair de voorbereidende werkzaamheden bij dit blogbericht.