Short Reads

Bestuursrechter verplicht om tijdens zitting cautie te geven aan (rechts)persoon aan wie boete is opgelegd

Bestuursrechter verplicht om tijdens zitting cautie te geven aan (rec

Bestuursrechter verplicht om tijdens zitting cautie te geven aan (rechts)persoon aan wie boete is opgelegd

29.06.2020 NL law

De Hoge Raad (belastingkamer) heeft in zijn arrest van 15 november 2019 geoordeeld dat de bestuursrechter verplicht is om in bestuurlijke boetezaken ter zitting altijd vooraf de cautie te geven aan degene die een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen.

Dat betekent dat de rechter de beboete partij voorafgaand aan de bevraging dient te informeren dat zij niet verplicht is tot antwoorden. De Hoge Raad volgt aldus niet de in het belastingrecht ook wel verdedigde opvatting dat de cautie alleen gegeven dient te worden als een partij op zichzelf beschouwd verplicht zou zijn om ter zitting te verschijnen en inlichtingen aan de rechter dient te geven (artikel 8:27 Awb).

In dit blogbericht bespreken we onder meer het arrest, de vraag of de cautie ter zitting ook gegeven moet worden bij andere punitieve sancties dan bestuurlijke boetes en de lessen voor de praktijk. Een ander aspect van dit arrest – het oproepen en horen van getuigen in het bestuursrecht – bespraken wij in een ander blogbericht.

Hoge Raad: cautieplicht bestuursrechter in boetezaken

  • Volgens de Hoge Raad dient de bestuursrechter tijdens de zitting waarin een bestuurlijke boete aan de orde is vooraf altijd aan de beboete (rechts)persoon de cautie te geven. Dat betekent dat de partij in kwestie dan weet dat hij niet verplicht is om antwoorden op vragen van de rechter te geven. Dit volgt uit artikel 8:28a, tweede lid, Awb en voor het hoger beroep via de schakelbepaling van artikel 8:108, eerste lid, Awb.
  • Wanneer de bestuursrechter verzuimt de cautie (tijdig) te geven dan zijn de verkregen antwoorden net als in het strafrecht in beginsel onbruikbaar voor het bewijs. Dat is anders als de betrokkene daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als de afgelegde verklaring niet van belang is voor de (eind)beslissing of wanneer de betrokkene tijdens de zitting werd bijgestaan door een advocaat.

Betekenis arrest

  • Met dit arrest heeft de Hoge Raad de discussie over dit onderwerp in het belastingrecht beslecht. Buiten het fiscale recht speelde die discussie niet, omdat de bestuursrechter tijdens de zitting in een boetezaak standaard de cautie geeft.
  • In het fiscale recht werd wel het standpunt ingenomen dat de cautie tijdens de zitting alleen gegeven dient te worden als een partij op grond van artikel 8:27 Awb verplicht is om ter zitting te verschijnen en inlichtingen te geven. In alle andere gevallen is een partij immers niet verplicht om naar de zitting te komen. Bovendien is een betrokkene bij een ‘gewoon’ onderzoek ter zitting niet verplicht om antwoorden op vragen te geven. De Hoge Raad kiest niet voor die opvatting en oordeelt dat ook als een partij niet verplicht is om te verschijnen haar de cautie gegeven dient te worden. De Hoge Raad overweegt daartoe dat uit het woord ‘verhoort’ in artikel 8:28a lid 2 Awb blijkt dat de mededeling dat antwoorden niet is verplicht, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de betrokkene worden gesteld die betrekking hebben op een bestuurlijke boete.

Cautiebepalingen in de Algemene wet bestuursrecht en het Wetboek van Strafvordering

De cautie in de Awb is geregeld in artikel 5:10a, tweede lid, Awb en artikel 8:28a, tweede lid, Awb. Artikel 5:10a, tweede lid, Awb bepaalt dat een betrokkene voor het verhoor met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie wordt meegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Artikel 8:28a, tweede lid, Awb ziet op de cautieplicht voor de bestuursrechter die een boetezaak ter zitting behandelt. Het verschil tussen beide bepalingen is dat artikel 5:10a Awb ziet op bestraffende sancties en artikel 8:28a Awb alleen op bestuurlijke boetes.

In het strafrecht is de cautieplicht geregeld in artikel 29, tweede lid, Sv en artikel 273, tweede lid, Sv. Artikel 29 Sv ziet op de verplichting voor de ambtenaar of rechter om voorafgaand aan het verhoor aan de verdachte mee te delen dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Dat de verdachte niet verplicht is om antwoorden te geven ter zitting is bovendien geregeld in artikel 273, tweede lid, Sv.

Geldt de cautieplicht ter zitting ook ten aanzien van andere punitieve sancties dan bestuurlijke boetes?

De vraag is of de bestuursrechter verplicht is om de cautie ter zitting ook te geven in zaken waarin andere punitieve sancties beoordeeld worden dan bestuurlijke boetes. Wat ons betreft is er geen reden om die cautieplicht niet te laten gelden, ook al heeft de Awb daarover niets geregeld. Ook volgt die cautieplicht niet direct uit artikel 6 EVRM of artikel 14 IVBPR. Wel heeft de Afdeling in 2014 in een boetezaak geoordeeld dat de cautieplicht ter zitting (van de rechtbank) voortvloeit uit artikel 6 EVRM, zonder dat oordeel overigens te onderbouwen (ECLI:NL:RVS:2014:3943).

Lessen voor de praktijk

Het arrest maakt duidelijk dat de bestuursrechter bij iedere mondelinge behandeling de cautie moet geven aan degene die een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen, ongeacht de vraag of de beboete partij verplicht is te verschijnen. In het belastingrecht gebeurde dat in tegenstelling tot het bestuursrecht niet altijd. Deze verschillen zijn met dit arrest opgeheven.

Team

Related news

23.09.2020 NL law
Stibbe NOW-team lanceert website over de NOW

Short Reads - Met de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) wil het Nederlandse kabinet de economische gevolgen van de coronacrisis dempen en de werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden. Deze subsidie voor werkgevers werd op 17 maart 2020 aangekondigd en is inmiddels meerdere malen verlengd. De wijzigingen zijn complex en omvangrijk.

Read more

16.09.2020 NL law
Belanghebbende in het omgevingsrecht: een steeds hogere drempel?

Short Reads - De Afdeling hanteert sinds enige jaren een vaste jurisprudentielijn ten aanzien van het belanghebbende-begrip in het omgevingsrecht. Het uitgangspunt daarbij is dat iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit belanghebbende is, tenzij ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken. De lat om aan dit criterium te voldoen lijkt steeds hoger te liggen. Wordt de toegang tot de bestuursrechter daardoor bemoeilijkt, en zo ja: is die beperking te rechtvaardigen?

Read more