Articles

Gelijke behandeling van subsidieaanvragers (annotatie bij CBb 6 november 2013, AB 2014/112)

Gelijke behandeling van subsidieaanvragers (annotatie bij CBb 6 november 2013, AB 2014/112)

Gelijke behandeling van subsidieaanvragers (annotatie bij CBb 6 november 2013, AB 2014/112)

06.05.2014 NL law

Het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 6 november 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:224) een (tussen)uitspraak gedaan. Deze uitspraak is interessant omdat uit de uitspraak volgt dat als een subsidieplafond is vastgesteld een gelijke behandeling van de aanvragers het uitgangspunt bij de beoordeling door het bestuursorgaan moet zijn.

De feiten

Het beschikbare subsidiebudget kan worden gemaximeerd door het vaststellen van een subsidieplafond. Als toekenning van alle subsidieaanvragen zou leiden tot overschrijding van dat plafond, dan zal het bestuursorgaan een keuze moeten maken tussen de ingediende aanvragen. Bij het maken van die keuze spelen de adviezen van beoordelingscommissies vaak een belangrijke rol.

Appellant had een subsidieaanvraag ingediend bij de staatssecretaris van Economische Zaken. De aanvraag betreft een verzoek om steun voor een investering in een integraal duurzame stal. Deze subsidieaanvraag is gebaseerd op de Regeling GLB‑inkomenssteun 2006. De aanvraag is voor een investering in een nieuwe melkveestal voor 120 dieren waarin een emissiearme loopvloer voor melkkoeien zou worden aangebracht.

De subsidieaanvraag is op 20 december 2012 afgewezen, omdat er meer aanvragen zijn ingediend dan subsidie beschikbaar is en de aanvraag van appellant te laag is gerangschikt om voor subsidie in aanmerking te komen. Eén van de beoordelingscriteria voor de rangschikking van de aanvragen is ‘milieu’: hoe lager de emissie van ammoniak, hoe hoger de waardering (score). Voor het bepalen van de emissiefactor is het gunstig als aan het project op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) een ‘proefstalstatus’ is toegekend. Appellant heeft voor zijn stal op 31 juli 2012 een ‘proefstalstatus’ aangevraagd, maar deze status was op het moment van de sluiting van de aanvraagperiode nog niet aan appellant toegekend. Daarom is de aanvraag van appellant lager gerangschikt dan als de status wel zou zijn toegekend. Als appellant op het criterium ‘milieu’ meer punten zou hebben behaald dan zou hij wel voor subsidie in aanmerking zijn gekomen.

Appellant betoogt in hoger beroep daarom onder meer dat de staatssecretaris in de beoordelingsfase van de aanvragen aanvullende informatie had moeten opvragen over de proefstalstatus. Uit de inmiddels gedane einduitspraak blijkt dat de proefstalstatus op 2 november 2012 is toegekend en dus voordat het primaire besluit is genomen. De aanvullende informatie over de proefstalstatus zou dus volgens appellant hebben geleid tot een hogere score en daarmee tot subsidieverlening. Dit betoog van appellant slaagt niet. Het CBb onderschrijft in r.o. 9 “het standpunt van verweerder dat, vanuit het oogpunt van gelijke behandeling, uitsluitend de inhoudelijke informatie die door aanvragers voor het einde van de aanvraagperiode is verstrekt, bij de beoordeling kan worden betrokken.” Het lag daarom volgens het CBb niet op de weg van de staatssecretaris om in de beoordelingsfase nog naar de toekenning van de proefstalstatus te informeren. De staatssecretaris moet wel nagaan of een aanvraag compleet is en, als dit niet het geval is, de aanvrager een herstelmogelijkheid bieden.

De gelijke behandeling van aanvragers als uitgangspunt bij een subsidietender

Dat subsidieaanvragen, als een subsidieplafond is vastgesteld, in beginsel niet meer kunnen worden gewijzigd of aangevuld nadat de aanvraagperiode is verstreken is niet nieuw. Zo oordeelde het CBb al eerder: “Als gevolg van het subsidieplafond concurreren aanvragen om SDE-subsidie met elkaar. Toewijzing aan de ene aanvrager kan immers ten koste van de andere gaan. Derhalve kan een aanvraag na het uiterste indieningstijdstip niet meer worden veranderd of inhoudelijk aangevuld” (CBb 18 november 2011, AB 2012/109, m.nt. W. den Ouden). Ook de Afdeling hanteert een vergelijkbare toets door te overwegen dat “uit de aard van het tendersysteem voort[vloeit] dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat” (ABRvS 26 september 2012, AB 2012/397, m.nt. A. Drahmann).

Uit deze jurisprudentie volgt dus een uitzondering op het klassieke uitgangspunt dat een bestuursorgaan ex nunc beslist. Deze uitzondering is, blijkens jurisprudentie van de Afdeling, een gevolg van ‘de aard’ van een tendersysteem. Deze uitspraak van het CBb kan worden gezien als een nadere duiding van de bijzondere aard van een tendersysteem: ex tunc besluitvorming is noodzakelijk “vanuit het oogpunt van gelijke behandeling” van de aanvragers.

Ik zou het toejuichen als voortaan bij het verstrekken van subsidies waar een subsidieplafond is vastgesteld, alsmede bij alle vergunningen en ontheffingen waar een plafond is vastgesteld, de gelijke behandeling van aanvragers expliciet het uitgangspunt zou zijn. Het hanteren van een ‘beginsel van gelijke behandeling’ (eventueel afgekort tot ‘gelijkheidsbeginsel’) is mijns inziens een goede rechtsnorm om ten grondslag te leggen aan de besluitvorming in een (subsidie)tender, omdat deze de essentie van de bijzondere eisen die bij een tender in acht moeten worden genomen goed weergeeft. Omdat de (potentiële) aanvragers in een dergelijke situatie met elkaar concurreren, moeten zij gelijk behandeld worden.

Voor de gelijke behandeling van aanvragers is het, blijkens deze uitspraak, in ieder geval noodzakelijk dat uitsluitend inhoudelijke informatie die door aanvragers voor het einde van de aanvraagperiode wordt verstrekt bij de beoordeling wordt betrokken. Het CBb overweegt dat het niet ‘op de weg’ van het bestuursorgaan ligt om naar nadere inhoudelijke informatie te informeren.

Meer over deze uitspraak

Deze uitspraak is tevens met een annotatie van mij gepubliceerd in AB 2014/112.

> Attachment

Source: AB 2014, afl. 13, nr. AB 2014/112

In deze annotatie ga ik uitgebreider in op de vraag wanneer sprake is van een ‘incomplete aanvraag’ met ‘ontbrekende informatie’ waarvoor art. 4:5 Awb moet worden toegepast, of van ‘(ontbrekende) inhoudelijke informatie’ waar het bestuursorgaan geen navraag kan en mag doen.

Daarnaast ga ik in de annotatie ook in op een ander interessant aspect van de uitspraak en dat is wat de gevolgen van een door een beoordelingscommissie gemaakte ‘fout’ zijn. Hierbij speelt een rol dat onduidelijk is hoe het beoordelingsproces van de aanvraag van de appellant zich verhoudt tot twee andere vergelijkbare aanvragen.

Related news

11.07.2018 NL law
Bestuursrechtelijke rechtsbescherming jegens private aanbieders

Articles - De overheid besteedt de uitvoering van Awb-besluiten geregeld uit aan private rechtspersonen. Zo staat momenteel volop in de belangstelling de uitbesteding aan private zorgaanbieders van de feitelijke uitvoering van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Read more

10.07.2018 NL law
Omgevingsvergunning zonnepark: ruimtelijk aanvaardbaar?

Articles - De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een tussenuitspraak gedaan over een omgevingsvergunning voor een grootschalig zonnepark bij Sappemeer in de gemeente Midden-Groningen. Het college moet beter onderbouwen waarom de ruimtelijke gevolgen van het zonnepark voor omwonenden aanvaardbaar zijn. De huidige motivering, namelijk dat glastuinbouw was toegestaan en het zonnepark daarop geen grote inbreuk maakt, acht de Afdeling onvoldoende.

Read more

10.07.2018 NL law
Wijziging van de ladder voor duurzame verstedelijking, hoeveel treden worden er werkelijk genomen?

Articles - De realisatie van een bedrijf zal vaak als nieuwe stedelijke ontwikkeling kwalificeren. In dat geval moet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan (de Ladder). Kort samengevat onderzoekt het bevoegd gezag (in de praktijk laat het bevoegd gezag dit onderzoeken) bij het aflopen van de Ladder of er wel behoefte is aan het nieuwe bedrijf. Dit past binnen het vaak gehoorde credo “niet bouwen voor leegstand”.

Read more

10.07.2018 NL law
De informatieplicht en de verplichting tot het treffen van energiebesparende maatregelen uit het Activiteitenbesluit onder de loep

Articles - Het thema energiebesparing blijft de gemoederen flink bezig houden. Geen nieuwsbrief kan erop nageslagen worden zonder dat dit thema zich opdringt. Zeker nu het Energieakkoord dat in 2013 werd gesloten zijn eerste lustrum viert en de meetbare doelen van 2020 in zicht komen, kan niet anders dan gezegd worden dat energiebesparing een hot topic is. In het kader van het behalen van de doelen van het Energieakkoord is recent (februari 2018) de introductie van een informatieplicht aangekondigd. Bedrijven moeten aan het bevoegd gezag melden welke maatregelen zijn getroffen.

Read more

10.07.2018 EU law
Hof van Justitie EU oordeelt over reikwijdte 'beroepsgeheim' financiële toezichthouders voor bedrijfsgegevens

Articles - In een arrest van 19 juni 2018 oordeelt de Grote kamer van het Hof van Justitie EU over de reikwijdte van het 'beroepsgeheim' van financiële toezichthouders voor bedrijfsgegevens. Het hof oordeelt dat de informatie die zich in het toezichtsdossier bevindt niet onvoorwaardelijk vertrouwelijk van aard is en bijgevolg onder het beroepsgeheim van de toezichthouder valt. Gegevens die mogelijk commerciële geheimen zijn geweest, worden in beginsel geacht niet meer actueel en dus niet langer geheim te zijn, wanneer die gegevens ten minste vijf jaar oud zijn.

Read more

06.07.2018 NL law
Belangrijke ontwikkeling voor mobiliteit in Nederland: Mobility as a Service ('MaaS') pilots gaan van start

Short Reads - Digitalisering heeft in vrijwel alle sectoren van de economie grote impact gehad, maar binnen de mobiliteitssector is die impact tot nog toe relatief beperkt. Als het aan de Nederlandse overheid ligt, zal daar verandering in komen. In een brief van 25 juni 2018 hebben de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Voorzitter van de Tweede Kamer geïnformeerd over de inzet van het ministerie op MaaS.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring