Short Reads

Eerste conclusie bestuursrechtelijke AG: meer lijn in de redelijke termijn

Eerste conclusie bestuursrechtelijke AG: meer lijn in de redelijke te

Eerste conclusie bestuursrechtelijke AG: meer lijn in de redelijke termijn

25.10.2013 NL law

Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven heeft op 23 oktober 2013 voor de eerste keer een conclusie uitgebracht in een bestuursrechtelijk geschil.

(Zaaknummer 201302106/2). Widdershoven is verzocht in zijn eerste conclusie in te gaan op de uiteenlopende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Hoge Raad (belastingkamer) met betrekking tot de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM. Hem is gevraagd welke behandelingsduren de rechtscolleges voor de verschillende fasen van de procedures en voor de procedures als geheel, nog als redelijk kunnen aanmerken in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voor de rechtscolleges is belangrijk dat zij voor de rechtspraktijk een goed en eenvoudig systeem kunnen hanteren, zeker voor de lagere rechters die immers meerdere ‘heren’ moeten dienen. In het advies staat alleen de redelijke termijn in zogenaamde niet-punitieve zaken centraal.

In zijn glasheldere conclusie adviseert de AG de hoogste bestuursrechters voor de behandelingsduur van zaken bestaande uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, een uniforme redelijke termijn van vier jaar te hanteren. Wat betreft de te onderscheiden fasen zijn twee opties gepresenteerd; optie A, waarin voor het bezwaar 6 maanden staat, voor het beroep in eerste aanleg 18 maanden en voor het hoger beroep 24 maanden; en optie B, waarin voor het bezwaar 8 maanden staat, voor het beroep in eerste aanleg 20 maanden en voor het hoger beroep ook 20 maanden. De voorkeur gaat daarbij uit naar de eerste optie. ‘Als de grote kamer – die uiteindelijk moet oordelen – ook voor deze optie kiest, zou voor de behandeling van zaken die alleen bestaan uit bezwaar en beroep in enige aanleg een redelijke termijn van 2 jaar en 6 maanden moeten worden gehanteerd, 6 maanden voor bezwaar en 24 maanden voor het beroep’, aldus de AG.

Bij het beoordelen van een schending van de redelijke termijn in de nationale procedure adviseert de AG de duur van een zogenoemde prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie in Luxemburg buiten beschouwing te laten. Dit geldt zowel in de zaak waarin de prejudiciële vragen aan het Hof zijn gesteld als in zaken die zijn aangehouden omdat in een andere zaak prejudiciële vragen zijn gesteld. In het laatste geval moet de aanhouding dan wel ‘redelijk’ zijn, wat betekent dat die vragen, gelet op de omvang van geding (rechtsstrijd) in de aangehouden zaak, relevant zijn voor de beoordeling van die zaak. In dat laatste geval vangt de termijn die buiten beschouwing kan worden gelaten aan op het moment waarop partijen, nadat de prejudiciële vraag is gesteld, door het aanhoudende college bij brief in kennis zijn gesteld van (de redenen voor de) aanhouding van hun zaak en eindigt die termijn op de dag van het arrest van het Hof van Justitie, aldus de AG.

Het is mooi dat de AG nu met een (voorkeurs)voorstel komt om meer lijn in de termijnen te brengen en het is te hopen dat de Grote Kamer en daarna de andere betrokken rechters bereid zullen zijn dit over te nemen. De verschillen die nu nog bestaan zijn namelijk niet goed te rechtvaardigen. Bovendien is het weinig praktisch om afhankelijk van de vraag naar welke hoogste rechter een zaak gaat met verschillende termijnen te moeten werken. Overigens zou het ook geen kwaad kunnen wanneer er een conclusie zou worden gevraagd over de (gevolgen van schending van de) redelijke termijn in punitieve zaken, die meestal over bestuurlijke boetes gaan. Zij het minder nijpend, doen zich daar namelijk ook nog de nodige vragen en verschillen voor.

Hoewel waarschijnlijk EVRM-proof, blijft overigens een maximale toegestane termijn van vier jaar natuurlijk wel een heel lange tijd. De voorgestelde termijn van 20/24 maanden voor hoger beroep valt daarbij in het bijzonder op. De praktijk van de Afdeling laat meestal zien dat dit echt sneller kan. Uitgangspunt voor betrokken bestuursorganen en rechters zou dan ook moeten zijn om zo ruim mogelijk binnen de genoemde termijnen te beslissen. De EVRM-eisen zijn immers slechts minimumeisen en diverse wettelijke regelingen kennen kortere termijnen (van orde). Daar komt nog bij dat uit de jurisprudentie volgt dat in zaken waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan al naar gelang sneller moet worden gewerkt.

Ten slotte valt op dat er voor geschillen voor de burgerlijke rechter nog een grote slag moet worden gemaakt als het gaat om het implementeren van de EVRM-eisen over de redelijke termijn. De wetgever zit stil, dus ook dat ligt op het bord van de rechter. Daarbij is van belang dat de Hoge Raad (civiele kamer) geen onderdeel uitmaakt van de Grote Kamer in het bestuursrecht en evenmin van het systeem van bestuursrechtelijke conclusies. Dat geldt trouwens ook voor de strafkamer en – in ieder geval formeel – de belastingkamer van de Hoge Raad. Kortom, het risico van niet te rechtvaardigen verschillen in de redelijke termijn jurisprudentie blijft bestaan. Verder is de huidige lijn alleen via kennisname van de uitgebreide jurisprudentie kenbaar. Allemaal redenen om uiteindelijk toch te komen tot een wettelijke regeling. Daarvoor heeft de AG dan in ieder geval al nuttig voorwerk verricht.

Related news

20.04.2018 NL law
De harmonisering van milieuzones

Short Reads - Een dik jaar geleden schreven wij hier op het Stibbeblog over de eerste uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over een milieuzone (Afdeling bestuursrechtspraak laat de Utrechtse milieuzone in stand). Wij voorspelden toen 388 verschillende milieuzones in Nederland. Ook de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat erkende dat gevaar en schreef in een kamerbrief van 5 april 2018 over de harmonisering van milieuzones. Wij staan daar in dit blog kort bij stil.

Read more

18.04.2018 BE law
FAQ: vergt uw project of plan een passende beoordeling?

Articles - Arrest C‑323/17 van het Europees Hof van Justitie is relevant voor elke initiatiefnemer die zich afvraagt of een passende beoordeling nodig is. Met name antwoordt het Hof, in een Ierse zaak over windparkkabels en mosselen, negatief op de vraag of de voortoets, die aan de passende beoordeling voorafgaat, reeds mitigerende of beschermingsmaatregelen (meer bepaald: maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen van het voorgenomen project) mag bevatten. Deze post zet een stap achteruit en bespreekt het ruimere kader van het instrument van de passende beoordeling. 

Read more

18.04.2018 NL law
Kroniek bestuurlijke organisatie

Articles - In deze kroniek wordt u op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het gebied van het bestuurlijk organisatierecht. De kroniek bestrijkt diverse onderwerpen, waaronder publiekrechtelijke rechtspersonen en semipublieke instellingen zoals overheidsvennootschappen en overheidsstichtingen. Bevoegdheidsverkrijging (attributie, delegatie, mandaat) heeft ook een vaste plek in de kroniek, evenals ontwikkelingen op het gebied van de centrale overheid, decentrale overheden, interbestuurlijk toezicht en gemeenschappelijke regelingen.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring