Articles

Administrative Law & Real Estate

Administrative Law & Real Estate

01.01.2013 NL law

1.  Aanbestedingswet 2012 treedt 1 april 2013 in werking 
 
Op 1 april 2013 zal de Aanbestedingswet 2012 (Stb. 2012, 542) in werking treden. Dit blijkt uit Stb. 2013, 57. Ook alle onderliggende regels zijn nu gepubliceerd en zullen op 1 april 2013 in werking treden. Het Aanbestedingsbesluit is gepubliceerd in Stb. 2013, 58. In artikel 10 en 11 van dit besluit worden de Gids proportionaliteit (Stcrt. 2013, 3075) en het Aanbestedingsreglement Werken 2012 (Stcrt. 2013, 3075) aangewezen als richtsnoeren.
De Praktijkgroep Real Estate heeft een presentatie gemaakt over de nieuwe Aanbestedingswet. Deze presentatie is hier  te lezen. 
 
2.  Invulling doelstellingen onshore, offshore en nearshore windenergie 
 
Onshore windenergie: afspraken tussen Rijk en provincies

Het Rijk en de provincies hebben afspraken gemaakt over de invulling van de doelstellingen voor windenergie op land. De provincies garanderen de ruimte voor 6.000 MW, te realiseren voor 2020. Gebieden met een potentieel van 5.715 MW worden voor 31 december 2013 planologisch vastgelegd. Indien er gebieden (deels) afvallen, dan vult de betreffende provincie zo spoedig mogelijk dit gedeelte aan met alternatieve locaties. Deze planologische alternatieven worden uiterlijk de eerste helft van 2014 vastgelegd.

De overige 285 MW en de eventuele extra bijdrage voor wind op land ten behoeve van de 16% duurzame energie doelstelling worden na 1 mei 2013 afgestemd tussen Rijk en provincies.

In de rijksstructuurvisie Wind op Land (“SWOL”) wordt uitgegaan van de gebieden geschikt voor grootschalige windenergie met de provinciale prestatieafspraken die gezamenlijk leiden tot 5.715 MW. De gebieden ten behoeve van de overige 285 MW en eventuele extra bijdrage kunnen bij actualisatie alsnog in het SWOL worden opgenomen.

De SWOL wordt in maart 2013 aan de Tweede Kamer toegestuurd. De brief van de Minister van Economische Zaken over de afspraken tussen het Rijk en de provincies zijn hier te lezen.

Offshore en nearshore windenergie: voornemen structuurvisie Windenergie op Zee

De ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu hebben bij brief van 12 februari jl. de Tweede Kamer ingelicht over de beleidsmatige inpassing van windenergie op zee. De bewindslieden wijzen eerst op het voornemen om een structuurvisie Windenergie op Zee (“SV WOZ”) op te stellen. Deze visie vormt de invulling van de zoekopdrachten binnen de zoekgebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden, zoals beschreven in het Nationale Waterplan en de Beleidsnota Noordzee. Voor beide zoekgebieden zal een plan-MER met passende beoordeling worden opgesteld. De SV WOZ wordt het kaderstellende beleidsinstrument voor windenergie op zee buiten de 12-mijlszone.

Het Rijk gaat zich ook inzetten voor windenergie binnen de 12-mijlszone. Parallel aan de totstandkoming van de SV WOZ wordt een haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar de mogelijkheden voor windenergie binnen de 12-mijlszone, waarbij wordt gekeken naar de ruimtelijke mogelijkheden, kosteneffectiviteit en aansluiting op het elektriciteitsnet. De uitkomsten van de studie en vervolgstappen worden rond de zomer verwacht.
 
3.  Nieuwe ontwerpstandaard verwerking leaseovereenkomsten in de jaarrekening 
 
De International Accounting Standards Board (IASB) en haar Amerikaanse equivalent, de Financial Accounting Standards Board (FASB), zullen begin 2013 een nieuwe ontwerpstandaard uitbrengen, waarin nieuwe regels zullen worden voorgesteld voor de financiële verslaggeving van leaseovereenkomsten. Deze regels worden vermoedelijk op zijn vroegst in 2015 van kracht.

Volgens de huidige standaarden (de International Financial Reporting Standards, IFRS) moeten lease- en huurovereenkomsten als operationele dan wel financiële leases worden geclassificeerd. Terwijl financiële leases volgens de huidige regels op de balans van huurder én verhuurder staan, worden operationele leases momenteel slechts op de balans van de verhuurder verantwoord. Hierdoor zou geen goede vergelijking gemaakt kunnen worden tussen de financiële posities en de toekomstige kasstromen van ondernemingen. Daarnaast vinden de IASB en de FASB de huidige verslaggevingstandaard te complex, vanwege de stringente scheiding tussen operationele en financiële leaseovereenkomsten. Lease- en huurovereenkomsten kunnen door dit onderscheid op verschillende manieren in de jaarrekening worden verwerkt. Dit komt de vergelijkbaarheid van jaarrekeningen niet ten goede. De IASB en de FASB achten de huidige standaarden dan ook niet langer toereikend om een getrouw beeld van leasetransacties weer te geven.

Om aan de bovenstaande bezwaren tegemoet te komen zal het onderscheid tussen financiële en operationele leases in de voorgestelde verslaggevingsregels komen te vervallen. Onder de nieuwe regels zullen beide typen als gebruiksrecht (actief) en als leaseverplichting (passief) op de balans komen te staan.

De waardering van beide balansposten zal worden gebaseerd op de netto-contante waarde van de te betalen huurvergoedingen gedurende de leaseperiode. Daarbij moet niet alleen worden gelet op de initiële huurtermijn, maar zal tevens beoordeeld moeten worden in hoeverre verlengingsmogelijkheden daarna (redelijk zeker) zullen worden uitgeoefend.

De voorgestelde regelgeving zal gelden voor zowel huurders als verhuurders, voor alle vormen van huur langer dan één jaar, ongeacht het soort actief.

Meer informatie over de nieuwe ontwerpstandaard is hier te vinden op de IFRS-website.
 
4.  Denk aan de "ladder voor duurzame verstedelijking" 
 
Sinds 1 oktober 2012 zijn gemeenten en provincies verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde "ladder voor duurzame verstedelijking" op te nemen als het ruimtelijke besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Deze verplichting is ontstaan door een wijziging van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (Stb. 2012, 388). Om te kunnen voldoen aan deze verplichting heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking en een samenvatting van deze handreiking opgesteld.

Kort samengevat moet een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan drie voorwaarden (de drie treden van de ladder) voldoen:
(1) een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
(2) een beschrijving in hoeverre in die actuele regionale behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en
(3) een beschrijving in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Onder een stedelijke ontwikkeling wordt ook detailhandel verstaan. Ingeval van een ruimtelijk besluit dat voorziet in nieuwe detailhandel dient in de toelichting de ladder in acht te worden genomen: niet volstaan kan worden met de enkele verwijzing naar een distributieplanologisch rapport waaruit volgt dat de nieuwe detailhandel niet leidt tot duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

Tijn Kortmann en Jan van Oosten gaan in hun noot bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Emmeloord in op deze ladder voor duurzame verstedelijking. Zij verwachten dat in toekomstige procedures veelvuldig beroep zal worden gedaan op art. 3.1.6 lid 2 Bro. Het verdient daarom aanbeveling om in de toelichting van bestemmingsplannen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling secuur de drie hiervoor genoemde treden te bestijgen en te benoemen. 
 
5.  Hoge Raad: geen leges voor afhandeling Wob-verzoek 
 
Lange tijd bestond onduidelijkheid of voor het afhandelen van een verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kosten in rekening mochten worden gebracht. Daarover heeft de Hoge Raad op 8 februari 2013 (LJN BZ0693) duidelijkheid gegeven.

Voor werkzaamheden die bestaan uit het opzoeken van declaraties, het anonimiseren van documenten en het vervaardigen van overzichten mogen geen leges worden geheven, omdat deze werkzaamheden niet zijn aan te merken als diensten in de zin van artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet. Uit het samenstel van bepalingen van artikel 2 en 3 van de Wob moet worden afgeleid dat de openbaarmaking van informatie naar aanleiding van een Wob-verzoek niet in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

Wel mogen leges in rekening worden gebracht voor het maken van kopieën van de documenten waarin de gevraagde informatie is neergelegd.
 
6.  Wordt een bestemmingsplan dat voor u gevolgen kan hebben geactualiseerd? 
 
Bij de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een verplichting aan gemeenten opgelegd om op uiterlijk 1 juli 2013 (vrijwel) alle bestemmingsplannen voor hun grondgebied te actualiseren. Als een bestemmingsplan op deze datum nog niet geactualiseerd is, mogen vanaf deze datum geen leges worden geheven voor de verlening van omgevingsvergunningen op basis van dat plan. Zie voor het overgangsrecht van de Wro tevens onze eerdere nieuwsbrief. Daarnaast komen plannen die nog dateren van voor de inwerkingtreding van de WRO(oud) te vervallen.

Veel gemeenten hebben lang gewacht met deze actualisatie. Dit heeft tot gevolg dat op dit moment veel bestemmingsplannen worden herzien en nu ontwerpbestemmingsplannen worden gepubliceerd. Het verdient daarom aanbeveling om in de gaten te houden of ook een bestemmingsplan dat voor u gevolgen kan hebben op dit moment wordt geactualiseerd.
 
7.  Wanneer is de gemeenteraad vooringenomen bij de vaststelling van een bestemmingsplan? 
 
Artikel 2:4 Awb bevat een verbod van (de schijn van) partijdigheid. Bij democratisch gekozen bestuursorganen, zoals de gemeenteraad, kan hier een spanningsveld ontstaan. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2013 (LJN BZ0796).  Deze uitspraak is tevens een precisering van haar eerdere uitspraak van 22 juni 2011 (LJN BQ8863).

Op grond van artikel 2:4 lid 1 Awb moet een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervullen. De omstandigheid dat de raadsleden die tegen het voorstel tot vaststelling van het plan hebben gestemd lid waren van politieke partijen die blijkens hun verkiezingsprogramma en coalitieakkoord tegen het ontwerpplan waren, is volgens de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat de raad vooringenomen was. De vaststelling van een bestemmingsplan vergt immers een belangenafweging, waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen.

Artikel 2:4 lid 2 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan ertegen moet waken dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan gaat het om besluitvorming door de raad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen. Het ligt daarom in de rede om voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Op grond van dit artikellid neemt een lid van de raad niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken. Deze bepaling dient volgens de Afdeling strikt te worden uitgelegd. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan (zoals de gemeenteraad) en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Er kunnen zich evenwel bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken indien aannemelijk is dat de betrokken volksvertegenwoordiger de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. In de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2011 waren dergelijke bijkomende omstandigheden aanwezig, maar in dit geval niet. 
  
8.  Hanteren van een vaste ondergrens van 15% van de omzet als normaal maatschappelijk risico bij planschade zonder nadere motivering onredelijk 
 
Bij de eventuele vergoeding van schade in het kader van nadeelcompensatie is het aanvaardbaar dat het bestuursorgaan ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico werkt met een vaste drempel of korting of met een vaste drempel in combinatie met een korting bovenop het schadebedrag. In dat geval moet het bestuursorgaan wel motiveren waarom de gehanteerde ondergrens redelijk is.

Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2012 (LJN BY5105). In deze uitspraak had Wouwse Tol Exploitatie verzocht om schadevergoeding op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 voor schade als gevolg van groot onderhoud aan de Rijkswegen A4, A17 en A58. Dit verzoek werd afgewezen omdat de drempel van 15% van de omzet niet werd gehaald en de schade dus werd geacht onder het normaal maatschappelijk risico te vallen. In de uitspraak wordt geoordeeld dat een bestuursorgaan in beginsel een dergelijke vaste drempel mag hanteren. Dat komt de rechtszekerheid ten goede. Het bestuursorgaan zal echter, als daartoe aanleiding bestaat, moeten beoordelen of deze drempel ook in het concrete geval toegepast kan worden. Hoe hoger het percentage dat als ondergrens wordt gehanteerd, hoe zwaarder de eisen die door de Afdeling aan de motivering worden gesteld. 
 
9. Zienswijzen mogen anoniem op internet worden geplaatst 
 
Recentelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een oordeel gegeven over de vraag of een gemeente zienswijzen in het kader van een bestemmingsplanprocedure anoniem op haar website mag publiceren (ABRvS 5 december 2012, LJN BY5071).

Het ging in deze zaak om het volgende. De appellant had het college van burgemeester en wethouders van Heemstede verzocht om, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de ingediende zienswijzen ongeanonimiseerd te publiceren. De appellant had zelf namelijk ook een zienswijze ingediend en wilde met de andere indieners in gesprek kunnen gaan. Het college wees dit verzoek echter af nu het voor het goed laten verlopen van de openbare voorbereidingsprocedure niet nodig is dat derden kennisnemen van de identiteit van indieners van de zienswijzen. Tevens dient de privacy van indieners te worden beschermd.

De appellant heeft bij de Afdeling aangevoerd dat het indienen van zienswijzen de instemming van de indieners met de openbaarmaking van hun persoonsgegevens impliceert. De Afdeling oordeelde dat dit niet het geval is. Met het indienen van een zienswijze beogen de indieners immers niet dat hun gegevens voor een ieder openbaar worden gemaakt. Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de indieners prevaleert boven het belang van de appellant bij online openbaarmaking van de personalia.

Uit deze uitspraak volgt dan ook dat het college niet gehouden is een zienswijze ongeanonimiseerd te publiceren. Dit oordeel is in lijn met het standpunt van het College bescherming persoonsgegevens (Cbp). Het Cbp heeft in zijn Richtsnoeren Actieve openbaarmaking en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit 2009 reeds aangegeven dat het integraal plaatsen van brieven of bezwaarschriften van burgers door gemeenten waarbij hun NAW-gegevens niet zijn weggelakt, niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit uit de privacywetgeving. Hierbij zij opgemerkt dat zelfs een geanonimiseerde zienswijze in bepaalde gevallen alsnog gemakkelijk herleidbaar kan zijn tot een persoon. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er in een buitengebied maar één bewoner is die belang heeft bij een zienswijze over de wijziging van een bestemming van een belendend perceel.

Gemeenten doen er derhalve in ieder geval goed aan om zienswijzen anoniem op internet te plaatsen. Dan nog dient bezien te worden of de privacywetgeving niet aan plaatsing in de weg staat.

Daarnaast heeft het Cbp op 19 februari 2013 de Richtsnoeren beveiliging van persoonsgegevens gepubliceerd. Deze richtsnoeren zullen per 1 maart 2013 in werking treden en vervangen een eerdere publicatie over beveiliging van persoonsgegevens (bekend als A&V 23). Meer informatie over deze Richtsnoeren is in deze nieuwsbrief te vinden.

10.  Stand van zaken wetgeving 
 
Hieronder volgt een kort overzicht van de stand van zaken van diverse wetsvoorstellen.

Omgevingswet
Op 28 februari 2013 is de toetsversie van de Omgevingswet de formele consultatieronde ingegaan. De toetsversie wordt voorgelegd aan onder meer VNG, IPO, UvW en SKVV. In april 2013 organiseert het ministerie van Infrastructuur en Milieu drie informatiebijeenkomsten 'Verder op weg naar de Omgevingswet'. Meer informatie over de informatiebijeenkomsten is hier te vinden.

Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten
De Eerste Kamer heeft op 30 januari 2013 de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten aangenomen. De wet is gepubliceerd in Stb. 2013, 50 en zal naar verwachting op 1 juli 2013 in werking treden.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht
De Eerste Kamercommissie voor Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening (IMRO) heeft op 22 januari 2013 het eindverslag uitgebracht. De plenaire behandeling door de Eerste Kamer is voorzien voor 19 maart 2013.

Wet natuurbescherming
Het wetsvoorstel  en de memorie van toelichting zijn op 20 augustus 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. Op 21 december 2012 heeft de Minister van EZ in een brief aan de Tweede Kamer bericht dat het wetsvoorstel zal worden aangepast. In de procedurevergadering van woensdag 30 januari 2013 van de vaste commissie voor Economische Zaken is de staatssecretaris van EZ verzocht de Kamer schriftelijk een indicatie te geven wanneer de aanpassing op het wetsvoorstel naar de Kamer komt.

Aanbestedingswet
Zoals hiervoor  is opgemerkt, zal deze wet zal op 1 april 2013 in werking treden. 

11.  Publicaties 

  • Naar één hoogste bestuursrechter
    Tom Barkhuysen, Vooraf NJB 2013/195
  • Naar een wettelijke regeling van overgang van vergunningen
    Tijn Kortmann, NTB 2013/2
  • Flora- en faunawet: nieuwe donkere wolken boven Nederland?
    Fleur Onrust en Annemarie Drahmann, BR 2013/1
  • De betekenis van het transparantiebeginsel voor het omgevingsrecht 
    Annemarie Drahmann, BR 20012/161
  • Een anterieure overeenkomst kan niet leiden tot een plicht voor de gemeenteraad om een planregel vast te stellen die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordenng zou achten
    Tijn Kortmann en Jan van Oosten, annotatie bij ABRvS 14 november 2012, BR 2013/2
  • Niet is uitgesloten dat overcapaciteit kan leiden tot een toename van leegstand, wat tot negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat en het ondernemersklimaat kan leiden (bestemmingsplan Emmeloord)
    Tijn Kortmann en Jan van Oosten, annotatie bij ABRvS 5 december 2012, Gst. 2013/13
  • Wanneer kan een bestuurlijke incassobrief als invorderingsbeschikking aangemerkt worden?
    Thomas Sanders, annotatie bij ABRvS 19 september 2012, AB 2012/399
  • Risicogericht toezicht van de Inspectie van het Onderwijs en andere methoden tot beoordeling van de rechtmatigheid van de besteding van de onderwijsbekostiging
    Machteld Claessens, annotatie bij ABRvS 27 juni 2012, AB 2012/378
  • Uit de aard van een subsidietendersysteem volgt dat voor de sluiting van de aanvraagtermijn alle relevante gegevens moeten zijn overgelegd
    Annemarie Drahmann, annotatie bij ABRvS 26 september 2012, AB 2012/397 

Team

Related news

15.11.2017 BE law
Hof van Cassatie trekt streep door eerste schadevergoeding toegekend door Raad van State

Articles - Opdat aan de Raad van State een ontvankelijk verzoek tot schadevergoeding zou kunnen worden gericht, is onder meer vereist dat er een arrest voorligt waarin de Raad van State de onwettigheid van een handeling vaststelt. Het Hof van Cassatie verduidelijkt in een arrest van 15 september 2017 wat moet worden begrepen als een "arrest waarbij de onwettigheid wordt vastgesteld". Een arrest dat de intrekking vaststelt, valt er volgens het Hof niet onder.

Read more

10.11.2017 BE law
Brussel hertekent stedenbouwkundig landschap (DEEL 2: VERGUNNINGEN)

Articles - Met een grondige facelift van de bestaande regels in het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (BWRO), wil het Brussels Gewest projectontwikkeling flexibeler maken en sneller doen vooruitgaan. Het Brussels parlement heeft de hervorming van het BWRO op 13 oktober 2017 goedgekeurd.  Een aantal nieuwigheden lijken overgewaaid uit de Brusselse regels inzake milieuvergunningen en uit het Vlaamse Gewest. Hierna een overzicht van hetgeen u zeker niet mag missen.

Read more

14.11.2017 NL law
7 December 2017: Anna Collignon and Marleen Velthuis give a lecture about administrative and criminal enforcement action under environmental law

Speaking slot - On 7 December, lawyers Anna Collignon (administrative law) and Marleen Velthuis (criminal law) will give a lecture at the University of Amsterdam (UvA) about the possible enforcement action that companies could face under environmental law. They will  focus on the area where administrative supervision turns into a criminal investigation and provide insight into the different rules and obligations for each stage of the investigation.

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy and Cookie Policy