Articles

Europese rechtspraak marktpraktijken – gevolgen voor België

Europese rechtspraak marktpraktijken – gevolgen voor België

Europese rechtspraak marktpraktijken – gevolgen voor België

23.12.2013 BE law

In deze nieuwsbrief besteden we aandacht aan een aantal markante uitspraken van het Hof van Justitie ivm de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. 1 . Deze arresten hebben verregaande gevolgen enerzijds voor de interpretatie, anderzijds voor de (on)wettigheid, van een aantal bepalingen in de Wet Marktpraktijken van 6 april 2010. 

Also available in French.

 

 

1. Noodzaak van Voorafgaande goedkeuring uitverkoop onwettig – gevolgen voor de WMPC

In de zaak Georg Köck2 oordeelde het Hof van Justitie dat een reclamecampagne (in Oostenrijk) voor een “totale uitverkoop” een ‘handelspraktijk’ is die onder het toepassingsgebied valt van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken.  Ten eerste is een aankondiging van een uitverkoop volgens het Hof immers een “handeling, omissie, gedraging, voorstellig van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van ene product aan consumenten” (zie artikel 2, sub  d van de Richtlijn, zoals omgezet in artikel 2, 29° Wet Marktpraktijken van 6 april 2010 – ‘WMPC’). Ten tweede beoogt een nationale regeling die dergelijke uitverkoop regelt, (mede) de bescherming van de consument en niet alleen de belangen van andere handelaars. Beide voorwaarden voor de toepassing van de Richtlijn zijn dus vervuld.

 

Vervolgens oordeelt het Hof dat de Richtlijn zich verzet tegen de Oostenrijkse regeling waarbij een handelaar de voorafgaande goedkeuring van de overheid nodig heeft, om tot uitverkoop te kunnen overgaan. Volgens het Hof kan immers een handelspraktijk die onder de Richtlijn valt (zoals een uitverkoop) niet per se worden verboden buiten de (beperkte) gevallen vermeld in de bijlage van de Richtlijn en dus ook niet “op de enkele grond dat deze praktijk niet vooraf door het bevoegde bestuur is goedgekeurd, zonder dat het oneerlijke karakter ervan is beoordeeld”.

 

Deze uitspraak roept verschillende vragen op naar de (on)verenigbaarheid met de Richtlijn van de Belgische regelgeving inzake uitverkoop in de artikelen 24 e.v. van de WMPC. Ten eerste lijkt de discussie nu beslecht dat de limitatieve lijst van gevallen waarin men tot uitverkoop mag overgaan volgens artikel 24 WMPC onwettig is. Immers deze limitatieve lijst leidt ertoe dat andere gevallen van mogelijke uitverkoop die nochtans niet door de bijlage bij de Richtlijn worden verboden, toch per se verboden zijn in België (nl. zonder dat er bij die andere gevallen van uitverkoop is vastgesteld dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijken). Ten tweede kan men zich ook vragen stellen bij het verbod om pas tot uitverkoop te mogen overgaan 10 werkdagen na verzending van de kennisgeving van die uitverkoop aan de overheid. Dat betekent dat een handelaar de facto twee weken niet mag uitverkopen na zijn mededeling aan de overheid. Mogelijk is het principe wel verenigbaar met de Richtlijn om de overheid op voorhand te informeren van een op til zijnde uitverkoop. Het laat immers een voorafgaande toetsing door de overheid toe, die in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn. Of dat echter kan impliceren dat een handelaar daardoor twee weken in de onwettigheid zou werken indien hij onmiddellijk bij kennisgeving zou beginnen uitverkopen, is nog een andere vraag.

2. Misleidende informatie is verboden ook zonder inbreuk op de professionele toewijding3

Een reisorganisator (Team4 Travel) vermeldt in zijn reisbrochure dat hij met een aantal hotels een exclusieve relatie heeft. Team4 Travel heeft daartoe met de betrokken hotels ook de nodige contractuele afspraken gemaakt. De hotels miskennen echter hun afspraken en verhuren alsnog kamers aan een concurrent van de organisator (CHS). Wanneer de brochure van Team4 Travel uitkomt, meent concurrent CHS dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk omdat de exclusiviteit een onjuiste informatie is. De eerste twee rechtsinstanties voor wie de zaak ingeleid door CHS komt, verwerpen de klacht van CHS. De laatste instantie stelt echter een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

 

Het Hof stelt vast dat eigenlijk niet betwist is dat de informatie waarover de klacht gaat op zich genomen misleidend is in de zin van artikel 6 lid 1 van de Richtlijn (zie ook artikel 88 van de WMPC). De echte vraag is dus of het voldoende is om van een oneerlijke marktpraktijk te kunnen spreken als voldaan is aan de voorwaarden van misleiding van artikel 6 Richtlijn (art. 88 WMPC), of dat ook nog moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat de aankondiger in strijd handelde met de professionele toewijding (art. 5, lid 2 a Richtlijn – zie artikel 84 sub a WMPC). Interessant daarbij is nog dat het Hof vaststelt dat Team4 Travel op het moment van de verspreiding van haar brochure niet wist dat ook CHS reserveringen had gemaakt.

 

Het Hof is bijzonder duidelijk: inbreuken op artikel 6 (misleidende praktijken) en 7 (agressieve praktijken) van de Richtlijn (dus artikelen 88 en 92 WMPC), staan op zich. Als aan die criteria is voldaan, is dus niet meer vereist dat er ook nog sprake is van een inbreuk op de professionele toewijding. Anders zouden volgens het Hof bepaalde beschermingen van de consument uit de richtlijn zinloos worden. De categorie van de oneerlijke handelspraktijken uit artikel 5, lid 2 (cfr. Artikel 84 WMPC) is dus een aparte categorie die wel de inbreuk op de professionele toewijding vereisen, maar niet de categorie van de misleidende handelspraktijken kan inperken.

 

Op zich hoeft deze uitspraak van het Hof niet te verbazen. Zij sluit, in zeker zin en weze het in een ander context, aan bij de rechtspraak in België dat ‘goede trouw’ van de overtreder niet relevant is voor de vraag of er een inbreuk is op de wet. Wat het Hof niet beantwoordt (maar ook niet uitsluit –de vraag lag eenvoudigweg niet voor) is de vraag of op basis van nationaal procesrecht de vordering van de concurrent niet zou kunnen afgewezen worden (bijvoorbeeld bij gebrek aan belang indien hij zelf bewust aan de inbreuk had meegewerkt). Het Hof gaat om dezelfde reden ook niet in op de vraag of Team4 Travel, bijvoorbeeld in het geval van een vordering van een consument, geen tegenvordering tegen CHS zou kunnen formuleren wegens eventuele derde medeplichtigheid aan contractbreuk (zo dat zou kunnen bewezen worden).

3. Toepassingsgebied Richtlijn oneerlijke marktpraktijken ruimer dan louter voor “ondernemingen” – Duitse ziekenfondsen – gevolgen voor de WMPC

Aanknopingspunten voor de “personele” toepassing van de WMPC zijn o.m. “ondernemingen” en “consumenten”. Zo is er slechts een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 88 WMPC als er sprake is van een bepaalde daad die uitgaat van een “onderneming” jegens een “consument”.4 Een “onderneming” wordt in artikel 2, 1° van de WMPC gedefinieerd als  “elke natuurlijke persoon or rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”. Daarmee zocht de wetgever aansluiting bij de notie “onderneming” in het Belgisch en Europees mededingingsrecht.

 

Uit een arrest van het Hof van Justitie van 3 oktober 2013 volgt dat deze definitie mogelijk niet ruim genoeg is, of minstens dat zij voor wat de toepassing van de WMPC betreft, toch wat breder zal moeten geïnterpreteerd worden dan wat tot op heden werd aangenomen, of gangbaar is voor het gelijkaardige begrip “onderneming” in het mededingingsrecht.5

 

De zaak betrof een ziekenfonds (BKK) in de vorm van een publiekrechtelijke instelling onder het Duitse wettelijke stelsel van de sociale zekerheid. De feiten betroffen een informatie, verspreid door dit ziekenfonds mbt de gevolgen (lees, de nadelen) die voor de leden gepaard gingen met een overstap naar een ander wettelijk ziekenfonds. Het was niet betwist dat er in de informatie een misleiding zat. Het Bundesgerichtshof in Duitsland vroeg zich echter af of dit ziekenfonds wel een economische activiteit uitoefende, en niet eerder een zuiver sociaal doel nastreefde (welke er dan volgens het Duitse gerecht toe zou leiden dat de praktijk buiten de Richtlijn zou vallen omdat het ziekenfonds dan geen onderneming was).

 

Voor de beantwoording van de vraag stelt het Hof vooreerst vast dat het begrip ‘handelaar’ en ‘onderneming’ door elkaar worden gebruikt in de Richtlijn, maar dat ze wel dezelfde betekenis moeten hebben. Vervolgens verwijst het Hof naar de definitie van “handelaar” in artikel 2(b) van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”. Deze definitie is zeer ruim volgens het Hof en is van toepassing zodra een natuurlijke persoon of rechtspersoon “een activiteit tegen betaling uitoefent, waarbij instellingen met een taak van algemeen belang of met een publiekrechtelijke vorm niet worden uitgesloten”.

 

Vervolgens kiest het Hof volop de kaart van de consumentenbescherming door erop te wijzen dat de doelstelling van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken “erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen dergelijke praktijken en dit voorkomt “uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd”. En het Hof gaat dan verder op zijn elan:

 

36      Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat voor de uitlegging van deze richtlijn het begrip consument een doorslaggevende rol speelt en dat de bepalingen ervan voornamelijk zijn opgesteld met het oog op de consument als bestemmeling en slachtoffer van de oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arresten van 12 mei 2011, Ving Sverige, C‑122/10, Jurispr. blz. I‑3903, punten 22 en 23, en 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43).

 

37      In een situatie zoals die in het hoofdgeding lopen de leden van BKK, die duidelijk moeten worden beschouwd als consumenten in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, het risico te worden misleid door de misleidende informatie die deze instelling heeft verspreid en hen belet een geïnformeerde keuze te maken (zie punt 14 van de considerans van die richtlijn), zodat zij ertoe worden gebracht een besluit te nemen dat zij zonder die informatie niet hadden genomen, zoals is bepaald in artikel 6, lid 1, van die richtlijn. In dat verband is irrelevant of het gaat om een publiekrechtelijke of particuliere instelling en welke specifieke taak zij behartigt.

 

De conclusie is dan logisch:

 

38      Gelet op een en ander moet een instelling zoals BKK worden beschouwd als een „handelaar” in de zin van die richtlijn.

 

39      Deze uitlegging is immers de enige die de volle werking van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken verzekert, daar zij waarborgt dat, overeenkomstig het vereiste van een hoog niveau van consumentenbescherming, oneerlijke handelspraktijken doeltreffend worden bestreden.

 

Hoewel het arrest niet het volledige wettelijke Duitse kader van de betrokken instellingen weergeeft, kan er wel op gewezen worden dat ziekenfondsen die een wettelijke taak binnen de sociale zekerheid uitoefenen, onder het kartelrecht niet als onderneming worden beschouwd. Dat had het Hof ook al bevestigd mbt de Duitse ziekenfondsen.6 In die zin lijkt het huidige arrest dus wel degelijk een ruimere definitie te hanteren van welke entiteiten (en dus van het begrip “onderneming”) onder de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken vallen dan wat het geval is onder het mededingingsrecht.

 

De conclusie van dit arrest is uiteraard vooreerst dat de Belgische ziekenfondsen nu zullen moeten realiseren dat zij in beginsel ook voor hun kerntaak van sociale zekerheid onder het toepassingsgebied van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken vallen. Tot op heden werd aangenomen dat zij enkel “onderneming” waren voor hun niet-kerntaken (zoals bijvoorbeeld het aanbieden van aanvullende hospitalisatieverzekeringen7). Een tweede gevolg is dat de Belgische wetgever doorheen de wet marktpraktijken het begrip “onderneming” ruimer zal moeten (her)definiëren telkens het gaat om de omzetting van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (en ook sommige andere richtlijnen)8, of zal moeten kiezen voor een andere aanknopingspunt9 om zo verwarring met het bestaande begrip “onderneming” uit het mededingingsrecht te vermijden.

4. overzicht hangende prejudiciele vragen

Uit het voorgaande volgt het belang van de rechtspraak van het Hof van Justitie voor de interpretatie van de Richtlijn Oneerlijke Marktpraktijken en derhalve ook voor de nationale omzettingsbepalingen, zoals de Wet Markpraktijken. Daarom volgt hieronder een niet-uitputtend overzicht van een aantal andere interessante prejudiciële vragen en één rechtsreeks beroep die thans hangende zijn bij het Hof van Justitie inzake marktpraktijken in de ruime zin. Een deel zijn ook vragen afkomstig van Belgische rechters:

 

Zaken in behandeling

Prejudiciële Vraag

 

Zaak C-388/13 - UPC Magyarország Kft./Nemzeti Fogyasztóvédelmi Hatóság

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 8 juli 2013.

Dient artikel 5 van richtlijn 2005/29/EG („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) aldus te worden uitgelegd dat in geval van misleidende handelspraktijken in de zin van lid 4 van dat artikel de criteria van lid 2, sub a, van dat artikel niet afzonderlijk mogen worden getoetst?

Kan de verstrekking van op onwaarheden berustende informatie aan één enkele consument worden aangemerkt als een handelspraktijk in de zin van die richtlijn?

Zaak C-298/13 – Facet SA, BNP Paribas Personal Finance SA

 

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d’instance d’Orléans (Frankrijk) op 30 mei 2013.

Vormt de niet-nakoming door de kredietgever van de precontractuele verplichtingen tot informatie of beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument, zoals die voortvloeien uit de nationale uitvoeringswetgeving van richtlijn 2008/48/ inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, een oneerlijke handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt ?

Moet richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten aldus worden uitgelegd, in voorkomend geval in het licht van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, dat de niet-nakoming door de kredietgever van de precontractuele-informatieverplichtingen of de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, zoals die voortvloeien uit de ter omzetting van de richtlijn vastgestelde bepalingen, niet toelaat dat de kredietgever de onbetaalde bedragen bij de kredietnemer kan innen, wanneer de gebrekkige betaling door de kredietnemer mogelijk haar oorsprong vindt in de niet-naleving door de kredietgever van zijn verplichtingen?

Zaak C-34/13 - Monika Kušionová v SMART Capital a.s.

 

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slovenië) op 23 januari 2013.

Moeten richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, in het licht van artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat daarmee in strijd is een bepaling van een lidstaat zoals § 151j, lid 1, Občiansky zákonník, in samenhang met de nadere bepalingen van de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de schuldeiser, zonder toetsing van de contractuele bedingen door een rechter, de prestatie uit ontoelaatbare bedingen kan opeisen door een zekerheidsrecht op een onroerend goed dat eigendom is van een consument ten uitvoer te leggen, hoewel partijen twisten over de vraag of de bedingen in kwestie ontoelaatbaar zijn?

Zaak C-515/12 -4finance UAB

 

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (Litouwen) op 14 november 2012.

Moet punt 14 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt aldus worden uitgelegd, dat het opzetten, beheren of promoten van een piramidaal bevorderingssysteem enkel moet worden beschouwd als een onder alle omstandigheden misleidende handelspraktijk indien de consument een betaling moet verrichten om een vergoeding te ontvangen wegens het doen toetreden van andere consumenten tot het systeem, en niet wegens de verkoop of het verbruik van goederen?

Indien het noodzakelijk is dat de consument een betaling verricht om een vergoeding te kunnen ontvangen, beïnvloedt de hoogte van het door de consument betaalde bedrag om een vergoeding te kunnen ontvangen wegens het doen toetreden van andere consumenten tot het systeem, en niet wegens de verkoop of het verbruik van goederen, de kwalificatie van het piramidale bevorderingssysteem als misleidende handelspraktijk in de zin van punt 14 van bijlage I bij de richtlijn? Kunnen louter symbolische bijdragen betaald door consumenten om hun identificatie mogelijk te maken, worden beschouwd als een bijdrage voor de kans op een vergoeding in de zin van artikel 14 van bijlage I bij de richtlijn?

Moet punt 14 van bijlage I bij de richtlijn aldus worden uitgelegd dat, om een piramidaal bevorderingssysteem als een misleidende handelspraktijk te kunnen beschouwen, enkel van belang is dat de vergoeding wordt betaald aan de reeds ingeschreven consument wegens het doen toetreden van andere consumenten tot het systeem, en niet wegens de verkoop of het verbruik van goederen, of is eveneens van belang in hoeverre de aan de deelnemers van dat systeem toegekende vergoeding voor het doen toetreden van nieuwe consumenten wordt gefinancierd door bijdragen van nieuwe leden? Moet, in casu, de aan de reeds ingeschreven deelnemers van het piramidale bevorderingssysteem toegekende vergoeding geheel of grotendeels zijn gefinancierd uit de bijdragen van nieuw toegetreden leden tot dit systeem?

Pb.2013, C 26, blz.33

Zaak C-483/12 - Pelckmans Turnhout NV v Walter Van Gastel Balen NV and Others

 

 Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Grondwettelijk Hof (België) op 29 oktober 2012.

Dient het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in artikel 6, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 16 van het voormelde Handvest en met de artikelen 34 tot 36, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een regeling zoals neergelegd in de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening, doordat de daarin opgenomen verplichting tot het voeren van een wekelijkse sluitingsdag:

 (i) niet van toepassing is op handelaren die gevestigd zijn in treinstations of in vestigingseenheden van maatschappijen voor openbaar vervoer, evenmin voor verkopen in luchthavens en havenzones die openstaan voor het internationaal reizigersverkeer en ook niet voor verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, doch wel op handelaren die op andere locaties zijn gevestigd,

 (ii) niet van toepassing is op handelaren die actief zijn in de verkoop van producten zoals kranten, tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij, de verkoop van dragers van audiovisuele werken en videospelen, de verkoop van consumptie-ijs, doch wel op de handelaren die andere producten aanbieden,

 (iii) enkel van toepassing is op de kleinhandel, te weten de ondernemingen die zich richten op verkopen aan de consument, terwijl ze niet van toepassing is op andere handelaren,

 (iv) minstens een aanzienlijk grotere beperking met zich meebrengt voor de handelaren die hun activiteit voeren door middel van een fysiek verkooppunt, met rechtstreeks contact met de consument, dan voor de handelaren die hun activiteit voeren via een internetwinkel of mogelijk via andere manieren van verkoop op afstand?

Pb. 2013, C 26, blz.22

Zaak C-421/12 – Commission v België

 

Beroep ingesteld op 13 september 2012 - Europese Commissie/Koninkrijk België

vaststellen dat het Koninkrijk België:

de krachtens artikel 3 juncto artikel 2, sub b en d, van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat beoefenaren van vrije beroepen alsmede tandartsen en fysiotherapeuten van de werkingssfeer van de wet van 5 juni 2007 ter omzetting van die richtlijn zijn uitgesloten;

de krachtens artikel 4 van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat de artikelen 20, 21 en 29 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming zijn gehandhaafd;

de krachtens artikel 4 van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals ingevoerd bij artikel 7 van de wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, en artikel 5, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten zijn gehandhaafd, en het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.

Pb.2012, C355, blz.11

Zaak C-281/12 - Trento Sviluppo Srl and Centrale Adriatica Soc. coop. v AGCM (Italian Competition Authority)

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 6 juni 2012.

Moet de uitdrukking "e in ogni caso" in de Italiaanse taalversie van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG aldus worden uitgelegd dat één van de in het eerste deel van het genoemde lid bedoelde voorwaarden volstaat om een praktijk te kwalificeren als een misleidende handelspraktijk, of is van een dergelijke handelspraktijk alleen sprake indien ook is voldaan aan de aanvullende voorwaarde dat de handelspraktijk de consument ertoe kan brengen een afwijkend besluit over een transactie te nemen?

Pb. 2013, C235, blz.11

 

 

 

Voetnoten

 

  1. Richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. L 149, 11 juni 2005, 22
  2. Arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2013, zaak C-206/11, Georg Köck.
  3. Arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2013, zaak C-435/11, CHS Tour Services/Team4Travel
  4. Artikel 88 WMPC verwijst immers naar het begrip “handelspraktijk”, dat in de definitie ervan in artikel 2, 29° WMPC verwijst naar een daad van een “onderneming”.
  5. Arrest van het Hof van 3 oktober 2013, zaak C-59/12, BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts
  6. Zie bij wijze van voorbeeld het Arrest van 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., zaken C‑264/01, C‑306/01, C‑354/01 en C‑355/01, Jurispr. 2004, I‑2493. In die zaak die Duitse ziekenfondsen betrof, heeft het Hof geoordeeld dat ziekenfondsen of instellingen die meewerken aan het beheer van de openbare dienst van de sociale zekerheid een zuiver sociale functie uitoefenen waardoor zij niet mogen worden gelijkgesteld met ondernemingen. Het Hof heeft zich voor die conclusie gebaseerd op de omstandigheid dat de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel verplicht was en op het solidariteitsbeginsel, dat de grondslag van dat stelsel vormt. In het zelfde arrest heeft het Hof ook zijn klassieke rechtspraak bevestigd dat dergelijke entiteiten als nog ‘onderneming’ kunnen worden voor andere taken die zij uitoefenen. Zo aanvaardde het Hof in die zaak dat het beslist mogelijk is dat „de ziekenfondsen [...] naast hun uitsluitend sociale taken in het kader van het beheer van het Duitse socialezekerheidsstelsel, ook handelingen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar van economische aard zijn”. Het Hof heeft uitdrukkelijk erkend dat in dat geval de beslissingen die ziekenfondsen in dat kader nemen eventueel als besluiten van ondernemingen kunnen worden aangemerkt.
  7. Zie bijvoorbeeld Brussel, 23 mei 2003, T.B.H. 2003¸ p. 787; Mvt, Parl. St. Kamer, Doc 52, 2340/001, p. 37-38.
  8. In zijn conclusie stelt de advocaat generaal hierover o.m. het volgende: “Deze uitlegging van het begrip handelaar strookt met die van de Uniewetgever in het ruimere kader van de richtlijnen inzake consumentenrechten. Zo wordt in richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten de verkoper gedefinieerd als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die [...] handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit” en in richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten als „iedere natuurlijke of rechtspersoon die producten verkoopt of te koop aanbiedt in het kader van zijn handels-, beroeps- of bedrijfsactiviteit”. In de nieuwe richtlijn 2011/83/EU heeft de Uniewetgever de handelaar gedefinieerd als „iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit”. Al die richtlijnen hebben gemeen dat de handelaar zowel een natuurlijke persoon als een – privaat- of publiekrechtelijke – rechtspersoon kan zijn die in zijn verhouding met de consument handelt in het kader van zijn commerciële of professionele activiteit, wat veronderstelt dat hij optreedt in het kader van een regelmatige winstgevende activiteit.”
  9. Volgens de terminologie van de Richtlijn zou het op het eerste gezicht aangewezen zijn om het begrip “handelaar” te gebruiken, maar aangezien ook dat begrip naar Belgische recht een andere draagwijdte lijkt te hebben, zou dan wellicht beter voor nog een ander begrip worden gekozen.

 

 

Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze e-bulletin werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze e-bulletin bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze e-bulletin zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze e-bulletin doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze e-bulletin dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.

 

 

 

Team

Related news

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring