Articles

Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Wet versterking bestuur pensioenfondsen

07.08.2013 NL law

De Wet versterking bestuur pensioenfondsen (de "Wet") is op 9 juli 2013 aangenomen door de Eerste Kamer. De Wet zal volledig in werking treden per 1 juli 2014. Diverse onderdelen zullen echter al per 7 augustus 2013 in werking treden. De Wet zal een grote impact hebben op de governance-structuur van alle pensioenfondsen [1].

In deze nieuwsbrief informeren wij u over de volgende onderwerpen:

  • Het doel van de Wet
  • Keuze uit vijf bestuursmodellen
  • Toetsing geschiktheid en betrouwbaarheid
  • Regels omtrent het maximum aantal (neven)functies
  • Nieuwe organen met gewijzigde taken en bevoegdheden
  • Regels omtrent beheerst beloningsbeleid
  • Uitbreiding instemmingsrecht ondernemingsraden
  • De acties die uw pensioenfonds moet nemen

Het doel van de Wet
Het doel van de Wet is drieledig. Allereerst wordt beoogd de deskundigheid van fondsbestuurders en interne toezichthouders te verbeteren. Zo is het voortaan mogelijk dat het fondsbestuur slechts uit beroepsbestuurders bestaat en worden strengere eisen gesteld aan het intern toezicht. Ten tweede heeft de wetgever de positie van alle risicodragers willen versterken, bijvoorbeeld door pensioengerechtigden verplicht in het bestuur deel te laten nemen. Het derde doel is het stroomlijnen van de diverse taken en organen om zo onnodige bureaucratie te voorkomen.

Vijf bestuursmodellen
De Wet biedt pensioenfondsen de keuze uit vijf bestuursmodellen: het paritair bestuur, het onafhankelijk bestuur en drie typen van het one-tier bestuursmodel.

Het paritaire bestuur zal vrijwel gelijk zijn aan hoe dit thans al is. Werknemers en werkgevers vormen tezamen het bestuur. Nieuw is dat pensioengerechtigden ook vertegenwoordigd moeten zijn in het bestuur. Daarnaast moet er voor gezorgd worden dat de bestuurssamenstelling zowel wat betreft leeftijd als geslacht voldoende representatief is voor de groep van belanghebbenden waarvoor het pensioenfonds de regeling uitvoert. Er kunnen maximaal twee bestuurders aan het bestuur worden toegevoegd die geen vertegenwoordigers van de belanghebbenden zijn.

Het onafhankelijk bestuur bestaat alleen uit externe professionele bestuurders. De belanghebbenden van het fonds (werkgever, werknemers en pensioengerechtigden) zijn niet vertegenwoordigd in het onafhankelijk bestuur. Dit is dus wezenlijk anders dan bij het paritaire bestuursmodel. Hierna zal blijken dat wanneer wordt gekozen voor het onafhankelijk bestuursmodel dit gevolgen heeft voor de taken en bevoegdheden van de andere organen van het pensioenfonds.

Tot slot kent de Wet drie typen van het one-tier bestuursmodel, in de wet aangeduid als het gemengd bestuur. Kenmerkend voor al deze gemengde bestuursmodellen is dat het intern toezicht wordt uitgeoefend door de niet-uitvoerende bestuurders die naast de uitvoerende bestuurders deel uitmaken van het fondsbestuur. In het eerste type, het paritair gemengd bestuur, is het uitvoerende deel van de bestuurders in samenstelling gelijk aan de samenstelling bij een paritair bestuur. Daarnaast zijn er ten minste drie niet-uitvoerende bestuurders, die geen directe vertegenwoordigers zijn van de belanghebbenden. Het tweede type wordt aangeduid als een onafhankelijk gemengd bestuur; ten minste twee van de uitvoerende bestuurders zijn externen en ten minste drie van de niet-uitvoerende bestuurders zijn personen die niet directe vertegenwoordigers zijn van de belanghebbenden. Tot slot is er nog het omgekeerd gemengd bestuursmodel. Hierbij zijn de uitvoerende bestuurders niet direct vertegenwoordigers van de belanghebbenden en is de samenstelling van de niet-uitvoerende bestuurders gelijk aan het paritaire bestuur.

Geschiktheid en betrouwbaarheid
Zowel de bestuurders als de toezichthouders moeten geschikt zijn voor de uitoefening van hun taak en hun betrouwbaarheid moet buiten twijfel staan. Deze geschiktheid en de betrouwbaarheid dienen voor de benoeming te worden getoetst door De Nederlandsche Bank als toezichthouder. De benoeming kan slechts plaatsvinden indien De Nederlandsche Bank daarmee instemt.

Maximaal aantal functies
De Wet bevat een regeling omtrent het maximum aantal functies dat een bestuurder of een lid van een raad van toezicht van een pensioenfonds mag bekleden. Voor bestuurders en toezichthouders van pensioenfondsen komt deze regeling in de plaats van de regels in Boek 2 BW die gaan over de limitering van het aantal toezichthoudende functies bij grote rechtspersonen.

De regeling in de Wet is nader uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (het "Besluit"). De regeling die daarin is neergelegd komt er kort gezegd op neer dat tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een pensioenfonds in ieder geval niet kunnen worden benoemd personen die door deze benoeming meer dan 1 FTE aan werkzaamheden als bestuurder of toezichthouder zouden verrichten. Het Besluit bevat een opsomming van functies en de hoeveelheid tijd die deze functies geacht worden in beslag te nemen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen functies bij grote pensioenfondsen2, functies bij kleine pensioenfondsen3 en functies bij andere (grote) rechtspersonen4. Een rol als bestuursvoorzitter van een groot pensioenfonds telt voor deze limiteringsregels bijvoorbeeld als 0,6 FTE. Dezelfde functie bij een klein pensioenfonds telt als 0,3 FTE. Ten aanzien van de vaststelling van de hoeveelheid tijd die een functie in beslag neemt, telt de benoeming bij verschillende rechtspersonen die met elkaar in één groep zijn verbonden als één benoeming.

De limiteringsregels die de Wet introduceert gelden voor (her)benoemingen die op of na 1 juli 2014 plaatsvinden. Een benoeming in strijd met de limiteringsregels is nietig, maar tast de besluitvorming waaraan de desbetreffende persoon heeft deelgenomen niet aan.

Wijzigingen in organen en hun taken en bevoegdheden
Binnen een pensioenfonds kan men verschillende taken en bevoegdheden onderscheiden. Deze zijn in de volgende categorieën in te delen: (i) zeggenschap, (ii) verantwoording, (iii) medezeggenschap en (iv) intern toezicht. Thans worden deze taken en bevoegdheden uitgeoefend door het fondsbestuur, de deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan en het intern toezichtsorgaan. Hierna zullen wij deze categorieën één voor één nader bespreken.

Zeggenschapstaken en -bevoegdheden (fondsbestuur)
De taken van het fondsbestuur blijven ongewijzigd. Uit het voorgaande blijkt echter dat de samenstelling van het fondsbestuur wel wijzigt.

Verantwoordingstaken en -bevoegdheden
Het verantwoordingsorgaan 'oude stijl' verdwijnt en de desbetreffende taken worden toebedeeld aan het desbetreffende medezeggenschapsorgaan.

Medezeggenschapstaken en -bevoegdheden
Ook de deelnemersraad verdwijnt en maakt plaats voor een nieuw medezeggenschapsorgaan. Welk orgaan dat is, is afhankelijk van het gekozen bestuursmodel. Dit is het zogenaamde belanghebbendenorgaan indien gekozen wordt voor één van de twee bestuursmodellen waarbij de (uitvoerende) bestuurders alleen uit externe professionele bestuurders bestaan. In alle andere bestuursmodellen wordt het medezeggenschapsorgaan gevormd door het verantwoordingsorgaan 'nieuwe stijl'.

De bevoegdheden van deze twee nieuwe organen zijn niet gelijk aan de bevoegdheden van de huidige deelnemersraad. Zo heeft het belanghebbendenorgaan verdergaande bevoegdheden: bepaalde belangrijke bestuursbesluiten zullen goedkeuringsplichtig zijn in plaats van adviesplichtig. Het gaat hierbij om besluiten betreffende bijvoorbeeld de premie, korten, terugstorten, collectieve waardeoverdracht, etc. Dit versterkte regime houdt verband met het feit dat het belanghebbendenorgaan moet worden ingesteld bij pensioenfondsen waarbij het bestuur slechts bestaat uit externen. De belanghebbenden hebben geen directe zeggenschap in het bestuur, maar oefenen hun medezeggenschap uit via het belanghebbendenorgaan. In het belanghebbendenorgaan zijn die belanghebbenden namelijk wel direct vertegenwoordigd.

Voor wat betreft het verantwoordingsorgaan 'nieuwe stijl' geldt juist het tegenovergestelde. Dat orgaan zal minder verstrekkende bevoegdheden hebben dan de huidige deelnemersraad. Het pensioenfonds dient het verantwoordingsorgaan in beginsel alleen advies te vragen over collectieve waardeoverdracht, liquidatie, samenvoeging, omzetting en het sluiten/wijzigen of beëindigen van een uitvoeringsovereenkomst. Alle overige medezeggenschapsbevoegdheden zullen vervallen.5 Dat de medezeggenschap van het verantwoordingsorgaan wordt beperkt, heeft te maken met het feit dat de belanghebbenden in dat bestuursmodel reeds via hun bestuursvertegenwoordigers zeggenschap hebben. Zoals hiervoor vermeld, beoogt de wetgever bureaucratie – bijvoorbeeld als gevolg van doublures in taken en bevoegdheden – zo veel mogelijk voorkomen. Volledigheidshalve merken wij nog op dat het verantwoordingsorgaan ‘nieuwe stijl’ wat betreft samenstelling gelijk is aan de huidige deelnemersraad. Anders dan bij het belanghebbendenorgaan, zijn werkgevers daarin niet vertegenwoordigd.

(Intern) toezichtstaken en -bevoegdheden
Het intern toezicht wordt versterkt. Het intern toezicht zal kunnen worden uitgeoefend door een visitatiecommissie, een raad van toezicht of door niet-uitvoerende bestuurders binnen het one-tier bestuursmodel. Bedrijfstakpensioenfondsen mogen in beginsel alleen uit de laatste twee kiezen. In de toekomst geldt dit mogelijkerwijs voor alle pensioenfondsen.

Het intern toezicht wordt ook wat betreft taken en bevoegdheden versterkt. Dat geldt zeker voor de raad van toezicht en de one-tier board, die over belangrijke bestuursbesluiten goedkeuringsrechten krijgen. Denk hierbij aan voorgenomen besluiten betreffende onderwerpen als het vaststellen van de jaarrekening, het beloningsbeleid, collectieve waardeoverdracht, liquidatie en samenvoeging.

Beheerst beloningsbeleid
Het Besluit bevat ook de verplichting voor pensioenfondsen om een beheerst beloningsbeleid te voeren. Beloningen mogen onder andere niet aanmoedigen tot het nemen van meer risico’s dan voor het desbetreffende pensioenfonds aanvaardbaar is. Dat beleid moet afgestemd zijn op de omvang en organisatie van het pensioenfonds en op de aard, omvang en complexiteit van zijn bedrijf.

Uitbreiding instemmingsrecht ondernemingsraden
De ondernemingsraad heeft thans geen wettelijke bevoegdheden bij een pensioenregeling uitgevoerd door een pensioenfonds. Dat is anders bij pensioenregelingen die worden uitgevoerd door een levensverzekeraar of een premiepensioeninstelling. Bij die pensioenregelingen moet de ondernemingsraad om instemming worden gevraagd indien de ondernemer die regeling wenst vast te stellen, te wijzigen of in te trekken.

De Wet brengt daar verandering in. In een tweetal situaties komt de ondernemingsraad voortaan ook een rol toe bij regelingen uitgevoerd door pensioenfondsen. Het betreft de situatie dat een ondernemer een nieuwe pensioenregeling wenst vast te stellen en de situatie dat hij een bestaande pensioenregeling wenst in te trekken. In die twee gevallen zal de ondernemer eerst zijn ondernemingsraad om instemming moeten vragen.

Acties
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet zullen alle pensioenfondsen hun interne organisatie moeten herzien. Voor het grootste deel zal dat in ieder geval uiterlijk op 1 juli 2014 gefinaliseerd moeten zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het kiezen van het bestuursmodel, de implementatie daarvan en aan het wijzigen van de statuten en reglementen. Echter: enkele andere punten vragen de directe aandacht van pensioenfondsen. Bepaalde regels treden al per 7 augustus 2013 in werking. Hierbij moet worden gedacht aan de aanpassing van het beloningsbeleid, rapportageverplichtingen, de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van de bestuurders en interne toezichthouders en de uitbreiding van de rol van de ondernemingsraad.

Voor meer informatie of vragen kunt u contact opnemen met één van de Stibbe contactpersonen.

1] Op 1 juli 2013 is de initiatiefwet Koşer Kaya en Blok (de "Initiatiefwet") in werking getreden. De Initiatiefwet regelt een evenwichtige samenstelling van en medezeggenschap in pensioenfondsbesturen. Hoewel belangrijke elementen van de Initiatiefwet in de Wet zijn opgenomen, wijkt de Wet op bepaalde punten daarvan af en introduceert bovendien enkele nieuwe onderdelen. Het is de bedoeling van de wetgever dat pensioenfondsen per 1 juli 2014 voldoen aan de Wet en niet (meer) aan de Initiatiefwet. In dit verband heeft de wetgever De Nederlandsche Bank verzocht om tijdens de overgangsperiode tot 1 juli 2014 uit te gaan van de voorbereiding op de normen uit de Wet, voor zover er verschillen bestaan met de normen uit de initiatiefwet.

2] Een pensioenfonds met een beheerd vermogen van meer dan 10 miljard euro.

3] Een pensioenfonds met een beheerd vermogen van 10 miljard euro of minder.

4] Een NV, BV of stichting (niet zijnde een pensioenfonds) die kort gezegd voldoet aan ten minste twee van de drie volgende criteria: (i) waarde activa is meer dan 17,5 miljoen euro, (ii) netto-omzet over het boekjaar is hoger dan 35 miljoen euro en (iii) gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

5] Ter verduidelijking: het verantwoordingsorgaan 'nieuwe stijl' heeft daarnaast nog wel een adviserende rol in het kader van de verantwoordingstaken en -bevoegdheden.

Team

Related news

29.05.2018 NL law
‘Nieuwe gedragsregels voor advocaten. Het einde van de vertrouwelijke confraternele correspondentie’

Articles - De algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten heeft op 14 februari 2018 nieuwe gedragsregels voor advocaten vastgesteld (Gedragsregels 2018). Een grote wijziging betreft de regeling over het openbaar maken van communicatie tussen advocaten. Daarop mocht in rechte geen beroep worden gedaan, tenzij het belang van de cliënt dit bepaaldelijk vorderde. In dat geval moest overleg gevoerd worden met de wederpartij en, indien geen toestemming werd gekregen, de deken om advies worden gevraagd.

Read more

05.06.2018 NL law
Via payrolling tewerkgestelde schoonmaakster is door overgang van onderneming in dienst gekomen van de “verkrijger” van het schoonmaakwerk (annotatie)

Articles -  In het Albron-arrest oordeelde het Hof van Justitie EU (HvJ EU) dat binnen een concern de groepsmaatschappij waarbij de werknemers (intra-concern) tewerk zijn gesteld, maar waarmee zij niet een arbeidsovereenkomst hebben, kan worden beschouwd als vervreemder in de zin van Richtlijn 2001/23/EG. 

Read more

Our website uses cookies: third party analytics cookies to best adapt our website to your needs & cookies to enable social media functionalities. For more information on the use of cookies, please check our Privacy and Cookie Policy. Please note that you can change your cookie opt-ins at any time via your browser settings.

Privacy – en cookieverklaring